Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ambt - (openbare betrekking)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

ambt zn. ‘openbare betrekking’
Mnl. ampt ‘betrekking’ [1372; Stall.], amt ‘id.’ [1440-60; MNW-R], ambt ‘id.’ [1450-1500; MNW-P].
Ontleend aan Middelhoogduits ampt, amb(e)t, ammet, alle ontstaan als verkorting van ambahte < Oudhoogduits ambahti, hetzelfde woord als → ambacht. De veronderstelling dat deze gecontraheerde vorm een ontlening en niet een inheems Nederlands product is wordt gesteund door het feit dat alle Middelnederlandse vindplaatsen in het oosten van het Nederlandse taalgebied zijn geschreven.
In het Vroegnieuwnederlands werden het inheemse ambacht en het jongere ambt nog vaak in dezelfde betekenis gebruikt. De scheiding tussen beide woorden in ambacht voor de beroepen waarbij handwerk te pas komt, en ambt voor de hogere functies, voltrekt zich volgens het WNT in de 17e eeuw.
ambtenaar zn. ‘persoon in openbare dienst’. Vnnl. amtenaar ‘id.’ [1626; WNT Supp.]. Ontstaan, door de betekenisscheiding van ambacht en ambt, als nieuwe afleiding met een nevenvorm van → -aar van laatstgenoemde.

EWN: ambt zn. 'openbare betrekking' (1372)
ANTEDATERING: binnen sinen ampte 'binnen zijn ambachtsheerlijkheid' [1347; MNW riden]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ambt [openbare betrekking] {am(p)t [bedrijf] 1324-1351, ambt 1819} verkort uit ambacht; het betekenisverschil (ambt voor een hoge betrekking, ambacht voor een lage) is ontstaan in de 17e eeuw, wellicht onder invloed van hoogduits Amt, waaruit het ook opnieuw geleend kan zijn.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

ambt znw. o., mnd. ambet, ammet, ampt, mhd. ambet, ammet, ampt, ofri. ombeth, is ontstaan uit ambacht. Daar het woord reeds mnl. als ammet, ampt, ambt, amt voorkomt, is het regelmatig door verkorting ontstaan, maar de bijzondere betekenis van het nnl. amt zal wel door invloed van hd. amt. te verklaren zijn.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

ambt o., reeds mnl. am(b)t, is eveneens uit *ambaχt(i)a- o. ontstaan, evenzoo mhd. ambet, ammet, ampt (nhd. amt), mnd. ambet, ammet, am(b)t, ofri. ombeth; ompt, am(p)t o. Wsch. heeft de verbreiding van het ndl. ambt in zijn tegenwoordige bet. onder invloed van hd. amt plaats gehad. Zie ambacht.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

ambt o., Mnl. ammet, ampt, amt, verkort uit ambacht.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

amb (zn.) openbare betrekking; Middelnederlands ampt <1372> < Duits Ampt.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

amp s.nw.
Openbare betrekking.
Uit Ndl. ambt (Mnl. amt, ambt, asook 'n ou vorm ampt, wsk. onder invloed van D. waar ambag en amp as amt saamgeval het (Boshoff - Nienaber 1967)).
Vgl. ambag.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

amp: “betrekking”, doeb. v. ambag (q.v.); Ndl. ambt (Mnl. am(b)t, ook ou vorm ampt), misk. beïnvl. d. Hd. waar ambag en amp as amt saamgeval het, vgl. ook ausl. p na m met dié in hemp en verdomp.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

ambt (Duits Ambt)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

ambt ‘openbare, hogere betrekking’ -> Deens amt ‘provincie, bestuurlijke eenheid in Denemarken van 1662 tot 2007’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors † amt ‘openbare, hogere betrekking; van 1662–1918: provincie; (Bergens) gilde’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds amt ‘provincie, bestuurlijke eenheid in Denemarken’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins ammatti ‘openbare, hogere betrekking’ (uit Nederlands of Nederduits); Ests amet, ammet ‘openbare, hogere betrekking’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

ambt openbare, hogere betrekking 1580 [WNT Suppl] <Duits

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

79. Met het ambt komt het verstand.

Men wil hiermede zeggen, dat in de praktijk het meest geleerd wordt, vooral door hem, die eigenlijk geen bekwaamheid genoeg bezit om het ambt te bekleeden. Tuinman geeft I, 257 op: Ambt, geeft verstand (vgl. hd. das Amt lehret den Mann). Zie ook Harrebomée I, 14; III, 107; Ndl. Wdb. II, 373; fri. mei 't ampt komt it forstân; hd. mit dem Amt kommt der Verstand. Wem Gott giebt ein Ambt, dem giebt er auch Verstand.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut