Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ambassadeur - (gevolmachtigd gezant)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

ambassade zn. ‘(gebouw van) gezantschap’
Mnl. ambasaet ‘gezant’ [1432; MNW-R], ambaciaet, ambasate ‘id.’ [1467-90; MNW]; vnnl. ambassaet, ambassade ‘id.’ [1556; MNW-P], ambassade ‘gezantschap’ [1631; WNT Supp.]; nnl. ambassade ‘gebouw van een gezantschap’ [1878; WNT].
Ontleend aan Frans ambassade [1387; Rey], dat teruggaat op middeleeuws Latijn ambasciata (ook spellingen met -ss-, -x-) ‘diplomatieke missie’, afleiding van het werkwoord ambasciare ‘een diplomatieke missie zenden’ [783; Niermeyer], afleiding van ambascia ‘missie, taak’ < Latijn ambactia ‘dienst, betrekking’, dat van Germaanse oorsprong is, zie → ambacht. De Middelnederlandse vormen met -t- zijn rechtstreekse Italiaanse ontleningen. Volgens een andere interpretatie stammen de Franse en de Italiaanse vorm uit Provençaals ambaisada ‘gezantschap’.
Oorspr. was een ambassaat (en het synoniem ambassadeur, zie hierna) de hoogste vertegenwoordiger van een koning of andere soeverein, die de volledige bevoegdheid had om namens deze te handelen in een ander land. Het jongere woord ambassade was de abstrahering hiervan, dus een ‘gezantschap, een zending van een of meer gezanten’. Toen het gebruikelijk werd zulke gezantschappen een vaste verblijfplaats in het buitenland te geven (19e eeuw), kon het woord ambassade vanzelf ook als aanduiding voor die plaats gaan dienen.
ambassadeur zn. ‘hoogste diplomatieke vertegenwoordiger van een land’. Mnl. (ambassadeur, spelling onbekend) ‘afgevaardigde’ [1416; MNHWS], ambassateurs ‘id.’ [1432; MNW-R], ambassadeurs, ambassadoren (mv.) ‘id.’ [1460-80; MNW-R]. Ontleend aan Frans ambassadeur < middeleeuws Latijn ambasator. In de loop van de 17e eeuw krijgt dit woord de overhand op het synonieme ambassaat.
Lit.: Francescato 1966, 483-484

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ambassadeur [gevolmachtigd gezant] {1416} < frans ambassadeur < italiaans ambasciatore < provençaals ambassador, dat dezelfde herkomst heeft als ambassade.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

ambassadeur ‘gevolmachtigd gezant’ (Frans ambassadeur); ‘persoon of instantie die populair maakt’ (Engels ambassador)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

ambassadeur ‘gevolmachtigd gezant’ -> Creools-Portugees (Batavia) ambassador ‘gevolmachtigd gezant’; Surinaams-Javaans ambasadhir ‘gevolmachtigd gezant’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

ambassadeur gevolmachtigd gezant 1416 [HWS] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut