Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ambacht - (handwerk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

EWN: ♦ ambachtelijk bn. ‘behorend bij een ambacht’ (1876)
ANTEDATERING: het ambachtelijke zijner kunst [1825; Vad.lett. 2, 66]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

ambacht zn. ‘handwerk’
Onl. ambaht- in de samenstelling ambahtman (accusatief mv.) ‘dienaren’ [10e eeuw; W.Ps.], ambacht ‘dienst, betrekking’ [1091-1100; Blok]; mnl. ambacht ‘beroep, functie’ [1236; CG I, 21]. Ouder is al ambahte ‘ambtsgebied’ in plaatsnamen: in uilla Wudacres ambachte (onbekende ligging in Zeeland) [776; Künzel 408]; deze betekenis komt nu nog voor in plaatsnamen als Veurne-Ambacht (West-Vlaanderen) en De Vier Ambachten (Zeeland).
Vroege ontlening aan het Keltisch (nu bijv. nog Welsh amaeth ‘boerenknecht’). Gallo-Romaans ambactus ‘horige, dienstman’ (uit Keltisch *amb(i)aktos) verschijnt onder meer in Caesars De Bello Gallico 6, 15. De samenstellende delen zijn verwant met Latijn ambi- ‘rondom’ en Nederlands → om, resp. met Latijn -āctus (< pie. *h2ekto-s bij de wortel *h2eǵ- ‘drijven’, zoals in → ageren en → akker). Of de betekenis inderdaad “lieden die zich om hun heer bewegen” (NEW) was, is onzeker. De parallel met Grieks amphípolos ‘dienaar’ bij pélesthai ‘zich bewegen’ schijnt deze interpretatie echter te ondersteunen.
Dit woord komt in alle Oudgermaanse talen voor: os. ambahteo ‘dienaar’, ambaht ‘ambt’; ohd. ambaht ‘ambt, dienst’ (nhd. alleen in de samengetrokken vorm Amt); ofri. ambecht, amb(e)t ‘ambt, dienst’ (nfri. ambacht ‘handwerk’); oe. ambeht ‘dienaar’, ambiht ‘dienst, ambt’; on. ambótt, ambātt ‘dienares’, ambātti ‘ambt, dienst’ (nzw. ämbete); got. (met secundair gewijzigd voorvoegsel) andbahts ‘dienaar’, andbahti ‘ambt, dienst’; < pgm. *ambahti- ‘dienaar’.
Hiernaast staat de verkorte vorm → ambt, die via de oostelijke Nederlandse dialecten ontleend is aan het Duits. In de 17e eeuw ontstond er een scheiding tussen deze twee woorden, ambacht ‘lagere bedrijven’ en ambt ‘hogere functies’. Inmiddels is ambacht bijna synoniem geworden met ‘handmatig uitgeoefend beroep’, meestal met associatie naar vroeger. Het leenwoord → ambassade heeft via een omweg dezelfde oorsprong als ambacht.
ambachtelijk bn. ‘behorend bij een ambacht’. Nnl. in ambachtelyk handigheidjen ‘kneepje van het vak’ [1876; WNT uitvoering]. Jonge afleiding van ambacht, ter contrastering met industrieel of machinaal.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ambacht [handwerk] {in de Noord-Hollandse plaatsnaam Engilbrechtes ambehte [rechtsdistrict van Engelbrecht], ligging onbekend <772-776>, oudnederlands ambachtman 901-1000, middelnederlands ambacht [bediening, bedrijf, ambt, ambacht]} < gallisch ambactus [horige, dienaar], genoemd door Caesar, van gallisch ombio- [om] + een met latijn agere verwant woord dat ‘voeren, leiden’ betekent, dus degene die in vorstelijke kring actief is.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

ambacht

In zijn boek over de oorlog in Frankrijk schrijft Caesar over de Gallische groten dat zij ‘circum se ambactos cliëntesque habent’, dat wil zeggen dat zij horigen en vazallen om zich heen hebben. In deze betekenis komt het woord ambacht nog in het Middelnederlands voor. De duivels worden bijvoorbeeld ambachten der Hel genoemd. Nu verstaan wij onder ambacht niet meer: hij die een dienst verricht, een dienaar, maar: de dienst, het beroep, handwerk, bedrijf zelf. Het woord bestaat uit twee delen: het voorzetsel amb, dat: om betekent en dat ook voorkomt in ambitie en ambulant en het woorddeel acht dat verwant is met het Latijnse agere: leiden. Een ambactus was dus vroeger iemand die zich om zijn heer bewoog, hem volgde.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

ambacht [Aanvullingen De Tollenaere 1969]: zie Ts 85, 227 [1969].

ambacht znw. o., mnl. ambacht ‘beroep, werkkring, mis, ambachtsheerlijkheid, rechtsdistrict, nering, werk, taak’, onfrank. in ambachtman ‘ministros’, os. ambaht ‘ambt, dienst, district’, ohd. ambaht, ambahti ‘dienst, ambt, godsdienst, mis’, oe. ombiht ‘beroep, dienst’, ofri. ombecht(e) ‘ambt, rechtsdistrict, de rechters, mis’, on. embætti ‘dienst’, got. andbahti ‘ambt, dienst’. Een ja-afleiding van mnl. ambacht, ohd. ambaht, oe. ombeht, on. ambati, got. andbahts ‘dienaar’, een germ. ontlening aan een gallisch woord ambactus, dat Caesar, De Bello Gall. 6, 15 als de dienaren van een vorst omschrijft (te vergelijken met de door Tacitus vermelde germ. comitatus). Festus zegt nog: servus ambactus, id est circumactus dicitur. Inderdaad bestaat het gallische woord uit het voorz. amb (waarvoor zie: om) en een nomen afgeleid van een idg. wortel *aĝ ‘voeren, leiden’ vgl. lat. agere. De ambacti waren dus de lieden, die zich om hun heer bewegen.

Een kortere vorm van ambacht is amt. — Uit het rom. ambaisa ‘opdracht’ is afgeleid prov. ambaisada ‘gezantschap’, waaruit zowel fra. ambassade als ital. ambasciata.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

ambacht znw. o, mnl. ambacht o. “beroep, werkkring (kerkelijk, rechterlijk e. a.), mis, ambachtsheerlijkheid, rechtsdistrict, handwerk, nering, werk, taak”, dial. (mnl. en nnl.) ook ambocht (vgl. achterdocht). = (onfr. ambocht-man “ministros”), ohd. ambaht, ambahti o. “dienst, ambt, godsdienst, mis” (nhd. amt), os. ambaht o. “ambt, dienst, district”, ofri. ombecht(e) o. “ambt, rechterlijk district, de rechters, laatst oliesel, mis”, ags. ombiht o. “beroep, dienst”, on. embæ̂tti o. “dienst”, got. andbahti o. “ambt, dienst”, een germ. neutrum *ambaχtia-, *ambaχía (de 2de vorm wsch. niet oergerm.) “dienst”, afgeleid van *ambaχta- m. “dienaar”: got. andbahts m. “id.”, on. ambȃti, -ôtt v. “dienares”, mnl. ambacht m. “dienaar”, ohd. ambaht (os. ambahteo) m. “id.”, ags. ombeht m. “id., discipel”. Dit woord is ontleend uit gall. ambactus, dat volgens Caesar de Bell. Gall. 6, 15 “dienaar, slaaf” beteekende; vgl. ook Festus’ woorden: “ambactus apud Ennium lingua gallica servus appellatur”. In het Got. is de anlaut naar analogie van de met and- samengestelde woorden veranderd. Op mlat. ambactiȃta naast ambactia “opdracht” (een afl. van het germ. woord of direct van gall.-lat. ambactus) gaan it. ambasciata, fr. ambassade “gezantschap” terug.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

ambacht. De o in dial. (mnl. en nnl.) ambocht mag niet op één lijn gesteld worden met die in achterdocht (zie dat woord Suppl.).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

ambacht o., Mnl. ambacht, Onfra. ambacht, ambaht + Ohd. ambahti (Mhd. ammet, Nhd. amt), Ags. ombiht, Ofri. ombehte, On. embæʹtti (Zw. ämbete, De. embede), Go. andbahti, afgel. van Go. andbahts = dienaar. Dit is ontleend aan een Kelt. woord dat ons door Ennius (volgens Festus) en Caesar overgeleverd werd onder den Lat. vorm ambactus = rondgezondene, bode, zijnde een samenst., waarvan de Kelt. elementen gelijkstaan met Lat. ambi = om (z.d.w.) en agere = drijven (cf. Gr. amphípolos en z. akker).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

ambag s.nw.
1. Aangeleerde handwerk wat met die verwerking van stowwe te doen het. 2. (skertsend) Werk, beroep.
In bet. 1 uit Ndl. ambacht (al Mnl.) 'bediening, bedryf, werkkring, amp', 'dienaar, bediende, beampte'. Bet. 2 het in Afr. self ontwikkel.
Mnl. ambacht 'dienaar' is 'n Germ. ontlening aan Gallies ambactus 'dienaar van 'n vors'.
Vgl. amp.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

ambag: “beroep, nering, werk”; Ndl. ambacht (Mnl. ambacht/ambacht, lg. ook dial.), Hd. amt, Got. andbahti/andbahts, met ander Germ. vorme herlei tot Gall. ambactus, “dienskneg; slaaf”, vgl. ook amp.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

ambacht 'rechtsdistrict'
Overdrachtelijk gebruik van ambacht 'ambt, dienst, werkkring', een vroege ontlening aan het Keltisch. Caesar vermeldt in zijn De Bello Gallico reeds Gallo-Romaans ambactus 'horige, dienstman'. Als toponymisch grondwoord beperkt tot Holland (met name Zuid-Holland) en Zeeland1. Een ambacht is een 'rechtsdistrict', een landelijk district (of gemeente) met een eigen bestuur en een eigen lagere rechtsbediening, uitgeoefend door een schout namens de graaf. Bij de uitbreiding van het leenstelsel werd ook de rechterlijke bediening in leen gegeven en ontwikkelde het ambacht zich tot een plattelandsheerlijkheid, waarbij het overheidsgezag en het gebied waarover zich dit uitstrekte in erfelijk eigendom kwamen van een ambachtsheer. Door wijzigingen in de staatsinstellingen verloren de ambachten uiteindelijk hun functie. Ook wel gebruikt ter aanduiding van een waterschap.
Oudste attestaties in plaatsnamen: 772 of 776 kopie 1183-1195 in Engilbrechtes ambehte en idem in Helicriches ambahte (beide ligging onbekend, in Holland)2, 776 kopie 1183-1185 in uilla Wudacres ambachte (ligging onbekend, in Zeeland)3. Zie → Bergambacht, → Heer_Oudelands_Ambacht, → Hendrik-Ido-Ambacht en → Kort_Ambacht.
Lit. 1vgl. Dekker 1983 411, 2Künzel e.a. 1989 131, 172, 3Idem 408.

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

ambacht (Keltisch)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Ambacht. In ’t Frankisch-Latijn bestond een woord ambactus, dat bode, gezant beteekende. Het was gevormd van een Keltisch voorvoegsel amb = rond, om, terwijl ag de Keltische stam is van gaan (verwant met ak, zie Akker); ambactus wilde dus letterlijk zeggen: iemand, die rondgezonden wordt, die dus met een opdracht belast wordt. Uit dit woord werd in ’t Germ. ambaht in de bet. van dienaar gevormd. In onze taal kwam het vroeg als ambacht voor in den zin van: beroep (ambachtsman), en van rechtsgebied, staande onder een ambachtsheer, vgl. Bergambacht. Ook ambt (bediening) is uit dit ambacht gevormd.
Het Lat. maakt van ambactus (gezant): ambactia, in ‘t It. ambasciata en hiervan maakte ’t Fransch ambassade = gezantschap.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

ambacht ‘handwerk’ -> Duits dialect † Ambacht ‘handwerk’; Litouws amatas ‘handwerk’ (uit Nederlands of Nederduits); Indonesisch ambah ‘handwerk’; Ambons-Maleis hambak ‘handwerk’; Javaans ambah ‘handwerk; ambachtsschool’; Kupang-Maleis hambak ‘handwerk’; Menadonees hambak ‘handwerk’; Ternataans-Maleis hambak ‘handwerk’; Negerhollands ambacht ‘handwerk’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

ambacht handwerk 0772-776 [Claes] <Keltisch

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

80. Twaalf ambachten, dertien ongelukken

wordt gezegd van ‘personen, die telkens een nieuw middel van bestaan zoeken, maar er altijd slecht afkomen’. De uitdr. wordt aangetroffen bij Campen, bl. 19: Twaelf ambachten syn dertien ongelucken, dat in de verzameling van Agricola luidt: Vierzehen handwerck, funffzehen unglück; Spieghel, 273; 291; Cats I, 421; Kluchtspel, III, 117. Bij Baardt, Deughden-Spoor, 213:

 Men seyt gemeenlyck dat een Man,
 Die thienderleye Handt-werck kan
 Wel darthien ongelucken heeft.

Bij Berkhey N.H. 3, 1304 luidt de uitdr. weer eenigszins anders: Men leert 'er (op een Fransche kostschool) vyf ambagten, en heeft dertien ongelukken.Zie het Ndl. Wdb. II, 351. Bij Sewel, 48: Twaalf ambachten en dertien ongelukken, they who undertake every thing are seldom succesfull. Zoo ook in W. Leevend III, 212; Tuinman I, 127; Harreb. I, 14; Waasch Idiot. 165 b: Twaalf stielen en dertien ongelukken; Teirl. 72: Eén ambacht is beter as dertien stielen, wie veel stielen uitoefent kent geen enkel goed ambacht. In Duitsche dialecten treffen wij deze zegswijze onder de volgende vormen aan: achttein Handwark, is nägentein Unglück; teinerlei Handwark, un hunnerterlei Unglück; drözeng (dertien) Handwerker, vezeng (veertien) Onglöcker; zie Taalgids V, 174; Eckart, 186-187; Jahrb. 38, 163. Thans zegt men in het hd. Neunerlei Handwerk, achtzehnerlei Unglück; fr. quarante métiers, cinquante malheurs; fri. toalf ambachten en trettsien ongelokken.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut