Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

alver - (glanzend voorntje)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

alver zn. ‘glanzend voorntje (Alburnus alburnus)’
Nnl. alver [1753; EDale].
Herkomst onzeker. Misschien bestaat er verband met mnl. alphe ‘kleine vissoort’ [ca. 1400; MNW]. Aangezien het dier bekend is vanwege de fraaie parel- of zilvermoerglans van de schubben is het wrsch. dat de naam verband houdt met Latijn albus ‘wit’ (zie → abeel) en dan afkomstig is uit een voor-Indo-Europese substraattaal.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

alver [soort van karpertje] {1753} < latijn albulus [witachtig], verkleiningsvorm van albus [wit].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

alver znw. m., (visnaam), vgl. nhd. albe, albel < lat. albula ‘witvis’ afgeleid van albus ‘wit’.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

abel, avel, aver, albele, alver(en), zn.: alver, alf, alvenaar, panharing, Alburnus alburnus. Mnl. alphe ‘kleine vissoort’; 17e e. vierdel aweloo, Hasselt (Gessler 34). Uit Fr. able of D. Albe, Mhd. Albel < Lat. albula, vrouwelijke vorm van bn. albulus ‘witachtig’, dim. van albus ‘wit’. Zie ook ambeletje.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

alver, alveren, alvertje, alfje, zn.: alver, alf, alvenaar, panharing, Alburnus alburnus. Mnl. alphe ‘kleine vissoort’. Uit Fr. able of D. Albe, Mhd. albel < Lat. albula, vrouwelijke vorm van bn. albulus ‘witachtig’, dim. van albus ‘wit’.

aveltje, zn. dim.: alver, Alburnus alburnus. Door metathesis en r/l-wisseling uit alver.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

abel alver (bep. vis) (Maastricht). « fra. able ‘id.’ of cat. able ‘id.’ of lat. albulus ‘id.’ (alle gesubstantiveerde bnw. in de betekenis ‘witachtig’, afl. van lat. albus ‘wit’).
Endepols 5, REW 25, DELF 2.

alf (van den - geleed) verbijsterd, verloren gelopen (Oost-Vlaanderen). = mnl. alf ‘boze geest, demon’ = ono. alfr ‘boze geest’. Vgl. elf ‘vrouwelijk mythologisch wezen’. Misschien ~ oind. ṛbhu ‘kunstenaar’ (ook de oudnoorse alfen werden als smeden geprezen), geleed = nl. geleid.
EW 126.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut