Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

altoos - (bijwoord van tijd: altijd)

Etymologische (standaard)werken

Michiel de Vaan (2014-2018), Addenda EWN, gepubliceerd op www.neerlandistiek.nl"

altoos bw. ‘altijd’
Mnl. altos (Limburg, 1200), altoes (Limburg, 1240), alle /alto:s/, ‘voortdurend, elke keer weer; volstrekt’. Een lokale variant emmertoes wordt in de 15e eeuw in Antwerpen gevonden (MNW). Nnl. altoos, daarnaast ook Vlaams altoost (1598; WNT s.v. Uitb-). Vanaf de 17e eeuw als bw. ook ‘tenminste’.
Verwante vormen: Middelnederduits alteges, altos, altoes, altes ‘geheel, voortdurend’, Middelhoogduits alzoges, alzuges ‘geheel, voortdurend’. Westerlauwers Oudfries altōs kan een leenwoord uit het Mnl. zijn, MoWFri. alteas, alteast ‘althans, ten minste’ een leenvertaling (Rolf H. Bremmer Jr, p.c.).
Een samenstelling van al en een zn. dat van het ww. tijgen ‘trekken’ komt. Gezien de Mnd. en Mhd. parallelle vormen was dat tweede lid de genitief van Wgm. *tugi- ‘trek’, waaruit Du. Zug ‘trek, teug’, Ned. teug, Mnl. ook toch ‘trek, teug’ voortkomen. De oudste betekenis lijkt ‘voortdurend’ te zijn, vandaar dat de letterlijke betekenis van Oudnl. *al-toges waarschijnlijk ‘gedurende de hele trek’ was.
De etymologische discussie spitst zich toe op de vraag of altoos inderdaad als tweede lid de genitief Oudnl. *-toges had, zoals meestal wordt aangenomen in oudere handboeken. Het verlies van intervocalische g is zeldzaam maar niet onbekend in het Ned. (vgl. verdedigen uit *ver-dage-dingen). Dat de g in altoos in alle dialecten vanaf 1200 al weg is, zou aan reductie in onbeklemtoonde positie kunnen liggen. We moeten dan uitgaan van beklemtoning als *áltoges. Op die beklemtoning wijst overigens ook de reductie in Mnd. alteges en altes. In hun woordenboeken betogen Vercouillie (1925) en van Wijk (1936 [1912]) dat de oo van altoos “scherplang” was, en dus op Wgm. *au moet teruggaan. Probleem is dan dat we twee verschillende Wgm. vormen zouden moeten aannemen, want voor het Mhd. en Mnd. kunnen we niet om *al-toges heen. Bovendien is een verbaalnomen *tauha- ‘trek’, dat dan in Nl. altoos zou zitten, verder niet uit het Germaans bekend. Van Wijk rept van dialectische vormen die *au zouden bewijzen maar noemt zijn bronnen niet. Gezien de schrijftaligheid van het woord in Nederland in de twintigste eeuw is het de vraag of er nog dialecten de geërfde vorm onveranderd bewaard hadden. In het licht van deze problemen geef ik aan de verklaring van altoos uit *altoges de voorkeur.
[Gepubliceerd op 28-08-2014 op Neerlandistiek.nl]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

altoos* [altijd] {al(le)toos 1200} middelnederduits altos, altoges, oudhoogduits alzoges < al + een tweede lid dat verwant is met tijgen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

altoos bw., mnl. altoos ‘telkens, gestadig, volstrekt, stellig’, mnd. altōs, altes ‘aldoor, volstrekt’, oostfri. altōs, fri. alteas ‘ten minste’. Daarnaast mnd. altōges, alteges, ohd. alzoges ‘aldoor, volstrekt’.

Indien men niet mag aannemen, dat het als bijw. in het spraakgebruik verkort werd uit een ouder *altoogs, dan moet men zijn toevlucht nemen tot een formatie met gramm. wiss. *al-tauhes. Het 2de lid behoort dan tot de onder tijgen behandelde groep.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

altoos bijw. (dial. ô), mnl. altoos “telkens, gestadig, volstrekt, stellig”. = mnd. altôs, altes “aldoor, volstrekt”, oostfri. altôs, fri. (Wouden en bij oudere menschen) alteas “ten minste”. Kan bezwaarlijk identisch zijn met ohd. mhd. alzoges, mnd. altōges, alteges “aldoor, volstrekt, geheel en al”, maar wel kan ’t hiermede verwant en uit *al-tauhes klankwettig ontstaan zijn. Het tweede lid is dan de gen. van *tauχa-, een verbaalnomen bij *teuχanan (zie tijgen en teug). De oudste bet. is dus “bij elken trek”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

altoos bijw., Mnl. altoos + Wfri. alteas, Ofri. & Ndd. altôs; de o is stellig scherplang, zoodat we niet een samenst. hebben met het oude toge = teug (z.d.w.), gelijk in Mndd. altoges en Mhd. alzoges, maar met een verwant *tauha; de bet. is bij elken trek.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

altoos bw. (verouderd)
Altyd.
Uit Ndl. altoos (al Mnl.). Ndl. altoos het deur weglating van die velêre klank voor s ontstaan uit altoogs, altoochs, wat 'n verkorting is van altoges, 'n samestellende afleiding met -s van al en Mnl. toge, met lg. van die Mnl. ww. tien 'trek'. Mnl. toge beteken vervolgens oordragtelik 'gang, tog' en verder 'keer, maal'. Altoos staan derhalwe in verband met Mnl. in allen kere en Ndl. telkenmale, waaruit die begrip 'altyd' voortvloei. Eerste optekening in vroeë Afr. op 13 Augustus 1652 in die aanhaling "altoos eenighe van dien" (Resolusies van die Politieke Raad, C.1).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

altoos: “altyd; telkens”; Ndl. altoos (Mnl. altoos/altoes, wat verb. hou m. Mnl. tooch en Mnl. ww. tien, “trek”, dus “elke trek, keer, maal”) eint. byw. gebr. verboë vorm v. tooch (vgl. Mned. altoges, Ohd. en Mhd. alzoges).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Altoos staat voor altoges = al-toge + s. Dit toog (met de bijw. s) is gevormd van den verl. tijd van tiegen = trekken (vgl. teug) en bet. dus trek in den zin van gang, tocht (óók van tiegen), keer; zoo zegt men nog in ’t Friesch: twontig tôche = 20 keer, en vroeger zei men voor: een tocht of een reis doen: een keer doen. Altoos wil dus zeggen: te allen keer, altijd.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

altoos ‘altijd’ -> Negerhollands altoos ‘altijd’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

altoos* bijwoord van tijd: altijd 1200 [CG II1 Servas]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut