Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

althans - (tenminste)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

althans vgw. ‘tenminste’
In het Middelnederlands alleen als bijwoord: altehant ‘terstond, aanstonds’ [1237; CG I, 38], altehants, altehans ‘id.’ [1270-90; CG II, Moraalb.]; vnnl. altans ‘aanstonds’ [ca. 1560; WNT Supp.]. De huidige betekenis ‘tenminste’ (als inleiding van een bijzin) pas in 1715 [WNT].
Samentrekking van ouder altehants, met het versterkende → al gevormd bij tehants ‘dadelijk, aanstonds’ (uit → te 1 en → hand en bijwoordelijke → -s), zie → thans.
Mnd. altohandes; ohd. alzehant; nfri. alteast.
Oorspr., en nog tot in de 18e eeuw, was de betekenis van het bijwoord altehants inderdaad een versterkend ‘dadelijk, aanstonds’. In diezelfde tijd komt de huidige betekenis als voegwoord ‘tenminste’ op. De ontwikkeling van de oude naar de nieuwe betekenis is onverklaard.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

althans* [bijwoord] {altehant(s) [terstond] 1237} met het bijwoorden vormend achtervoegsel s < al (bijw.) middelnederlands tehant [aanstonds, thans, zoëven] (vgl. thans).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

althans voegw., mnl. altehants, altehans, naast het gebruikelijker altehant gevormd met een adv. s (zie: aanstonds) vgl. mnd. altohant, altohandes, ohd. alzehant ‘aanstonds’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

althans bijw. voegw., mnl. altehan(t)s, met adverbiale -s (zie aanstonds) naast gewoner mnl. altehant, beide = “aanstonds, thans, zooëven”. Uit al (bijw.) + tehant. Zie thans. Evenzoo mhd. alzehant, mnd. altohant, -des “aanstonds”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

althans bijw., uit al en thans, Mnl. altehande, althans + Mhd. altôhandes, dus = in den tijd die bij de hand is, d.i. nu; eerst sedert het begin der 18de eeuw bet. het ten minste, zonder iets te vertoonen dat dien vreemden overgang kan uitleggen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

altans bw.
In elk geval, ten minste, met voorbehoud gesê.
Uit Ndl. althans (begin 18de eeu). In ander bet. soos 'terstond, oombliklik, tans' oorspr. 'n afleiding met -s van Mnl. altehande, altehant, althant.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Althans bestaat uit al + thans. Dit thans is te hand, met de bijw. s, het bet. dus bij-de-hand, dichtbij (van tijd); het bijw. al dient ter versterking: zie Alleen; het geheele woord bet. dus oorspr.: zeer dicht bij, op dit oogenblik, bijv. „Twee Raadsheeren althans in Emmerik woonachtig” (Hooft). De bet. is echter sedert het begin der 18e eeuw op onverklaarbare wijze veranderd in: ten minste.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

althans ‘bijwoord van modaliteit’ -> Duits dialect † altans ‘bijwoord van modaliteit’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

althans* bijwoord van modaliteit 1642 [WNT]

althans* onderschikkend voegwoord 1715 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut