Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

altaar - (offertafel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

altaar zn. ‘offertafel’
Mnl. altaer, altare [1200; CG II, Servas], alter [1240; Bern.], naast outaer, bijv. ten outare ‘naar het altaar’ [1260-80; CG II, Nibel.]; nnl. altaar.
Ontleend aan Latijn altāre. Wrsch. is het woord door christelijke missionarissen ingevoerd als vervanging van een inheems Germaans woord, zoals bijv. got. hunslastaþs ‘altaar’. Klassiek Latijn altāria komt alleen in het meervoud voor. Pas later verschijnt het enkelvoud in drie varianten: altar, altare, altarium. De herkomst is niet duidelijk. Wrsch. behoort het niet bij het bn. altus ‘hoog’. Eerder is er verband met adolēre ‘verbranden’, indien dat tenminste uit *ad-aleio ontstaan is. De uitgang -aria zou dan door dissimilatie uit -alia zijn voortgekomen.
Os. altari, ohd. altari (nhd. Altar); ofri. altare, alter (nfri. alter); oe. altar(e), alter; on. altari (< os.).
De klemtoon kon in het verleden zowel op de eerste als op de tweede lettergeep vallen: door voortdurende Latijnse invloed blijft de vorm met Latijnse klemtoon, dus /altáre/, nog lang in gebruik, zij het vooral in hogere stijl. De gebruikelijke vorm was echter van oudsher die met (Germaanse) klemtoon op de eerste lettergreep, dus /áltare/, dat tot het huidige /áltər/ heeft geleid, in de tweede lettergreep even vaak met de spellings- en Latijnse uitspraak /tār/. Als gevolg van de Nederlandse klankontwikkeling van alt tot out (zoals in bijv.oud) zijn nevenvormen als outer en autaar ontstaan, die in sommige katholieke streken nog gehoord worden.

EWN: altaar zn. ‘offertafel’ (1200)
ANTEDATERING: onl. altare in: Wistaltare 'Westouter' (plaats bij Ieper) [1069; ONW]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

altaar [offertafel] {altar 1200} < latijn altare [altaar, eig.: een bovenstel op het altaar waarop delen van het offer werden verbrand], van altus [hoog] + ara [altaar, offertafel]. De vorm altaar is te verklaren door herhaalde ontlening; de klankwettige vorm is outaar.

outaar, outer [altaar] {outaer 1265-1270} wat de klankwettige ontwikkeling was (vgl. altaar).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

outaar, outer znw. o. m. nog in gebruik in Brabant en Zuidnl., is klankwettig uit altaar ontstaan.

altaar znw. o. altāre. Reeds vroeg na de bekering overgenomen en regelmatig tot mnl. outer ontwikkeld, maar onder invloed van het lat. woord toch weer daaraan op nieuw in de taal gedrongen.

In alle germ. talen: os. altari, ohd. alteri, altāri, ofri. altāre, oe. altāre, on. altari. De kerkelijke term heeft oudere pogingen tot weergave in het germ. verdrongen, vgl. oe. weofod, wīgbed) eig. ‘heilige tafel’, vgl. oe. bēod ‘tafel’) of got. hunslastaþs (eig. ‘offerplaats’). De kerk zal deze germ. benamingen tegengewerkt hebben om niet de herinnering aan heidense altaarvormen te laten voortbestaan.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

altaar znw. o. Het lat. altȃre is al vroeg in ’t Nfrank. ontleend en klankwettig tot mnl. (nnl. archaïseerend) outer m. o. geworden. De mnl. vormen outaer en altaer, nnl. altaar, soms met eindbetoning, zijn aan den voortdurend werkenden invloed van lat. altȃre toe te schrijven. Vgl. mhd. altȃre, ohd. altȃri naast mhd. alter, ohd. alteri m. (nhd. altar m., met beide betoningen), os. altari m., mnd. altar, -er, oltar, -er o. m. ofri. altare naast alter m. o., ags. altȃre naast alter m. (eng. altar), on. altari m. o. In ’t Ags. is gebruikelijker de germ. benaming wȇofod, wîgbed o., eig. “tempelbed”. het Got. bezigt ’t woord hunslastaþs m., eig. “offerplaats”.

outaar, outer, in Zuid-Ndl. en N. Brab. nog een gewoon woord. Zie altaar.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

altaar. Ags. wêofod, wîgbed o. wordt beter verklaard als ‘tempeltafel, heilige tafel’ (tweede lid = ags. bêod m. ‘tafel’).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

altaar, autaar enz. o., Mnl. outare gelijk Ohd. altâri (Mhd. altâre, Nhd. altar), Eng. altar, Fr. autel, uit Lat. altare = offertafel, van adolēre = verbranden. De oude Germ. talen hadden een afzonderlijken naam, die veelal een samengesteld woord was.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

altaor (zn.) altaar; Vreugmiddelnederlands altaer <1200> < Latien altare.

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

altaar s.nw.
Verhewenheid waar godsdienstige plegtighede plaasvind, veral waar die offer gebring is; later, bv. in die Katolieke Kerk, die plek waar die heilige mis opgedra word.
Uit Ndl. altaar (al Mnl.).
Ndl. altaar uit Latyn altare 'boonste gedeelte op die altaar waarop dele van die offer verbrand is', met lg. gevorm van altus 'hoog' en ara 'altaar, offertafel'. Reeds vroeg na die kerstening is die Latynse woord oorgeneem en het reëlmatig tot Mnl. outer, outaar ontwikkel. Die Katolieke Kerk het die Germ. benaming egter teengewerk ten einde die herinnering aan die sg. heidense altaarvorme te beëindig; gevolglik is die Mnl. woord opnuut deur die Latynse vorm verdring.
D. Altar, Eng. altar.

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Iets (op)offeren of offers brengen op het altaar van (een hoger ideaal, een streven), iets prijsgeven om een bepaald doel te bereiken, soms bedoeld als kritiek dat de prijs te hoog is.

Altaar is een latijns woord voor 'offertafel' dat door het christendom in onze taal kwam lang voor de ons bekende bijbelvertalingen tot stand kwamen. In het Middelnederlands en Vroegnieuwnederlands is ook de vernederlandste vorm outaer in gebruik geweest.

Rijmbijbel (1271), v. 1247-48. DOe maecte noe .j. outaer / jn gods eere. (Toen bouwde Noach een altaar ter ere van God.)
[...] dat ze zonder al te veel wroeging onschuldige mensen op het altaar van de wetenschap en hun eigen ambitie hebben geslachtofferd. (R. Diekstra, Denkwijzer. Psychologie voor dag en nacht, 1990 (1988), p. 109)
Anomie en desintegratie zijn mogelijkerwijs de offers op het altaar van de vooruitgang. (NRC, okt. 1994)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

altaar (Latijn altare)
outaar (Latijn altare)
outer (Latijn altare)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

outaar. Het oudste citaat van bi den outare zweren ‘bij het altaar zweren’ dateert uit 1291-1300 en is afkomstig uit het Luikse Diatessaron. Het oudste met sueren vp den outaer komt uit de West-Vlaamse Rijmbijbel [1285] van Jacob van Maerlant. De eedformule komt onder druk te staan en wordt tot vloek als men haar te vaak en buitenissig gebruikt. Thans niet meer gebruikelijk.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Altaar (outer, autaar) van ’t Lat. altare (en dit van altus = hoog), d.i. de verheven offertafel, ook verhoog genaamd.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

altaar ‘offertafel’ -> Deens alter ‘offertafel’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors alter ‘offertafel’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins alttari ‘offertafel’ (uit Nederlands of Duits); Ests altar ‘offertafel’ (uit Nederlands of Duits); Indonesisch altar ‘(christelijke) offertafel’; Javaans altar ‘(christelijke) offertafel’; Menadonees altar ‘plaats van gebed in de katholieke kerk’; Singalees altāra-ya ‘offertafel’; Negerhollands altar ‘offertafel’; Sranantongo altari ‘offertafel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

altaar offertafel 1200 [CG II1 Servas] <Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2689. (Aanv.) Die het altaar bedient, moet van het altaar leven,

‘het is billijk dat de geestelijke een behoorlijk inkomen heeft - ieder moet leven van zijn beroep. Ontleend aan I Cor. 9, 13; Die den altaer steeds by zijn, deelen met den altaer; Scaecspel, 60: Mer wanttet wael redelic is, dattie ghene die den outaer dient, dat hi mede van den outaer leve, so mochten die Apostelen ende so mogen nu die Mendicanten wel hoor noottorfte eyschen ende nemen; Ndl. Wdb. II, 283; Harreb. I, 13; hd. Wer dem Altar dient, soll auch vom dem Altar leben; fr. le prêtre vit de l'autel.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut