Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

alsem - (volksnaam of oude naam voor bijvoet)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

alsem zn. ‘plantengeslacht (Artemisia), met name absint’
Mnl. alsne [1240; Bern.], alsen [1253; CG II, Gez.reg.]; vnnl. alzen, alsen [1511; Herbarius i.D.], alsene, alsine [1515; MNW]; nnl. alsem (met aanpassing van het achtervoegsel aan woorden als bezem, bodem, boezem, droesem).
Vermoedelijk gaat het woord terug op middeleeuws Latijn aloxinum < Grieks alóē oxínēs ‘bittere aloë’, zie → aloë, al blijft de vorm van het Griekse woord vreemd.
Ohd. alahsan, alahsna ‘absint’; nfri. alsem, a(a)lst.
Lit.: Frings 1968, 90

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

alsem [plantengeslacht] {alsen(e) 1201-1250} < middeleeuws latijn aloxinium < grieks aloè oxinès [zure, scherpe aloë].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

alsem znw. m., mnl. alsene (waaruit nd. alsene) naast ohd. alahsan, alahsna gaat terug op lat. aloxinum, dat zelf uit gr. alóē oksínēs naam voor de Artemisia absinthium gevormd is. Naam en plant zijn in de 6de eeuw naar Noord-Frankrijk gebracht, vgl. ofra. aluisne, nfra. aluine.

Of alsene te verklaren is uit alhsene door vereenvoudiging van de verbinding lhs, is niet zeker; men kan ook denken aan invloed van de ofra. vorm. De vorm met s komt in Duitsland alleen op de linker Rijnoever voor (alse, els, eisen) en dan hangt dit samen met het Noordfranse en Nederl. gebied,waarbinnen dus de overname van aloxinum plaatsgevonden heeft (Frings, Germ. Rom. 1932, 142); hij denkt aan een noordfrans-linksrijnse eenheid uit de tijd van het rijk der Merowingen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

alsem znw., met suffix-substitutie uit mnl. alsen(e) v. (ook nog oudnnl.), dial. ook a(a)ls, a(a)lst; vgl. droesem en zie bij els II. Alsen(e) heeft s (ss) uit χs, vgl. ohd. alahsan “alsem” (oudnhd. alsem, in de volkstaal nog andere vormen). Ook ’t Os. Mnd. kent ’t woord, in den vorm alsen(e). Het eerst is ’t overgeleverd in een lat. bron (Anthimus, 6e eeuw) als aloxinum (hieruit fr. aluine, spa. alosna “alsem”), maar ’t zal wel oorspr. germ. wezen (en niet < alóē oxinēs), hoewel de oude verklaring als “tempelzaad”, uit *alχ- (got. alhs v., os. alah, ags. ealh m. “tempel”, verwant met gr. alkē “kracht”, aléxō “ik bescherm, weer af”, oi. rákṣati “hij beschermt”, ags. ealgian “beschermen” of < en? > oudlit. elkas “woud”, lett. elks “afgodsbeeld”) + *sȇman- (zie zaad) formeel en semasiologisch onaannemelijk is. Eer zou men, met ’t oog op Anthimus’ meedeeling, dat de Franken of Goten het aloxinum gebruikten bij de bereiding van een geestrijken drank, aan verwantschap met mnl. āle o. v., (os. alo-fat o. “biervat”), ags. ealu o. (eng. ale), on. ǫl o., ksl. olŭ, lit. alùs “bier” kunnen denken, ofschoon dan het tweede lid van alsem geheel duister is. Met mnl. āle enz. kunnen verwant zijn lat. alȗmen “aluin”, alȗta “met a. behandeld leder”, gr. alúd(o)imon pikròn parà Sōphróni (Hes.): idg. *alu- “wat scherp is van smaak of reuk”. Een andere germ. benaming van den alsem is ohd. wërmuota v. (nhd. wermut m.), os. wërmôdo, -a m. v., mnd. wermôde, -mede v., -môt (o.?) (e. a. vormen), ags. wërmôd m. (eng. wormwood), ook Teuth. wermoede, Kil. wermoed (“Sax. Sicamb.”). Zie wormkruid.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

alsem. Op duits taalgebied is alsem (alse, els, elsen) beperkt tot de linker-Rijnoever. Indien men mag aannemen, dat het woord in het Os. Mnd. gekomen is via de Nederlanden (reeds owvla. herb. alsne), verkrijgt men een geografisch beeld, dat ontlening in de Merovingische tijd uit lat. aloxinum (dat in Frankrijk uitsluitend in het N. voorkwam) resp. een rom. vorm hiervan, waarschijnlijk maakt: Frings Germ. Rom. 142. Voor de m vgl. dan bliksem.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

aalst v., bijvorm met paragog. t, van als-em of els (z.d.w.).

alsem m., Mnl. alsen, alsene + Ohd. alahsan (Nhd. alsem). De oude uitlegging als een samenstelling met Os. alah, Ohd. alah, Ags. ealh, On. alah, Go. alhs = tempel, en Ohd. samo, enz. = zaad, omdat het een der heilige kruiden was, is niet waarschijnlijk. Lat. aloxinum is zeker van Germ. oorsprong. Aalst en alst hebben een paragog. t als hulst. Andere namen zijn absint en wermut: z. wormkruid.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1als s.nw.
1. Enigeen van verskillende soorte inheemse kruieplante, o.a. rankals, rivierals en wildeals, of Europese kruidgewas, of plant wat tot die geslag Artemisia behoort, o.a. die absintals, seeals, byvoet, sitroenkruid en wildeaveruit. 2. Bitter aftreksel van die blare, knoppe of ander dele van die als (1als 1) as geneesmiddel.
Verkorting van Ndl. alsem (Mnl. alsene, alsine, alsen, alssen).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetensckap en Kuns

als I: verk. vorm (veral in kompo. soos wildeals, soos bras in steenbras naas simp. brasem) van alsem (aparte lemmas in WAT); Ndl. alsem (Mnl. en nog by Kil alsen(e), dial. als(e)/a(a)lst) maar vorm op -em tog wel baie oud, Hd. alsem (ouer ook alsen/else), hou verb. m. Lat. aloxinum en Gr. alóê oxinês (spp. Artemisia).

Thematische woordenboeken

H. Kleijn (1970), Planten en hun naam: Een botanisch lexicon voor de Lage Landen, Amsterdam

Artemisia | Artemísia vulgáris: Bijvoet
Omtrent de woordafleiding van artemisia bestaat allerminst overeenstemming. We laten hieronder de opvattingen volgen.
1. De naam stamt af van het Griekse artemes: gezond, fris, vanwege het geneeskundig gebruik.
2. Artemisia naar de godin van de geboorten en van de vrouwen genaamd Artemis. Zij wordt vereenzelvigd met de eveneens Griekse godin Ilithyia, beschermster der kraamvrouwen. De plant werd namelijk aangewend bij vrouwenziekten en geboorten.
3. Men beweert dat de plant is genoemd naar Artemisia, echtgenote van koning Mausolus van Carië te Halicarnassus, die voor haar man in 353 voor Chr. een mausoleum liet oprichten. Zij zou het kruid veelvuldig gebruikt hebben.
Volgens ons is de eerste uitleg waarschijnlijk wel de beste, mede omdat het de meest eenvoudige is.
De naam Bijvoet heeft zeer oude papieren, want we vinden de plant als Bipoz reeds bij Hildegard von Bingen (1098-1179) vermeld. Konrad von Megenberg (1309-74) noemt de plant Beipoz en voegt er aan toe ‘wer es an die pain bind, es denem den wegraisern ir miied.’ Maar hij sprak tevens zijn ongeloof hierover uit. Ook O. Brunfels (1512) schreef aan die praatjes niet te willen meedoen. Dit verhaal, of moeten we spreken van bijgeloof, dat Bijvoet, in de schoenen gedaan of aan de voeten gebonden, het moe worden voorkomt vinden we reeds bij Plinius (23-79 na Chr.) vermeld. Dat een dergelijk verhaaltje een lang leven kan hebben, bemerken we, wanneer we Dodonaeus (zeventiende eeuw) opslaan, die dit gebruik eveneens aanhaalt. Hij neemt echter geen stelling tegen de geloofwaardigheid van dit verhaal.
De Nederlandse naam Bijvoet wordt ook beschouwd als een verbastering van het Duitse Beifuss, dat weer ontstaan zou zijn uit het genoemde Oudduitse Bipoz of Biboz, dat verwant is aan anaboz - ambosy (vergelijk ons woord aanbeeld of aambeeld) en is af te leiden van een Germaans werkwoord boutan: stoten, en dat slaat op het gebruik het kruid fijn gestampt bij de spijzen te doen. Grimm deelt mede dat de naam afkomstig is van het Oudhoogduitse bozzan, dat eveneens stoten beduidt.
Bij Heukels vinden we voor de Overijselse Achterhoek de volgende namen opgegeven: Sint Jansblome, Sint Janswortel en Sint Janskruid. Deze namen wijzen op het oude gebruik om op Sint Jan (24 juni) kransen te vlechten en deze dan in huis of stal op te hangen ter afweer van blikseminslag. Ook spijkerde men de wortel van de plant tegen de muur om de duivel en andere boze geesten uit huis te bannen, of de behuizing tegen brand te vrijwaren. Een en ander steunt op een heidens gebruik, het zonnewendefeest, dat oudtijds eveneens omstreeks 24 juni gevierd werd. Men omgordde zich dan met dit kruid om tegen toverij beschut te zijn. Nadat de Sint Jansvuren tijdens dit feest waren ontstoken, wierp men de krans in het vuur. Een uitvloeisel van dit gebruik vinden we terug in het geloof dat lendepijnen verdwijnen zouden door de plant om de lendenen te binden. Men vindt dit nog in de vierde eeuw na Christus gemeld door Marcellus uit Burdi galia (Bordeaux), maar met de toevoeging dat men dan eerst de planten met de linkerhand uit de grond moest trekken, wilde men er het volle profijt van hebben. Dat dit gebruik wel lang in stand is gehouden, zouden we kunnen opmaken uit de naam Sint Jansgordel, die we bij L. Fuchs (1543) aantreffen. Of dit een echte Nederlandse volksnaam is, willen we betwijfelen. Want het in 1543 in onze taal verschenen boek Den nieuwen herbarius is een vertaling van het in hetzelfde jaar te Bazel verschenen Neu Kreuterbuch van dezelfde auteur. Dodonaeus (1608) geeft de Nederlandse naam niet, maar geeft wel de Duitse naam van die tijd: Sant Johans gurtell. In Duitsland kwamen vroeger nog de volgende namen voor: Bij J. Th. Tabernaemontanus (1588) Sonnewendgürtel, in 1477 Sunbentgürtel en nog enkele andere van dezelfde strekking. De plant stond namelijk in hoog aanzien bij de Germanen, Kelten en Slaven, als kruid dat gebruikt werd bij in barensnood verkerende vrouwen. Daarop duidt de passage bij Dodonaeus: ‘De eerste soorte van Bijvoet wordt van sommige “Mater herbarum”, dat is Moeder der cruyden ghenaemt.’ De naam Krabbeklootjes wordt door de Belg E. Paque als volgt verklaard: ‘De bloemhoofden hebben de vorm van bollekens of klootjes die in lange krabben gerangschikt staan en daarom noemt men dit kruid Krabbeklootjes.’
De naam Alsem, ook de Nederlandse benaming voor het geslacht Artemisia, slaat in hoofdzaak op de Absint-alsem (A. absinthium). De oudste vorm van alsem zal wel alseme geweest zijn. Later sprak men van Alsene en Alsen: de eerste naam treffen we aan bij Dodonaeus en de tweede bij Fuchs. Andere volksnamen zijn Als (Twente), Aals (Groningen), Aalst (Groningen, Oost-Drente en Waterland), en zijn als gewestelijke vormen te beschouwen. In het Oudhoogduits luidde de benaming Alahsan, oorspronkelijk alahsâmo, dat tempelzaad beduidt en afkomstig van alah: tempel, en samo: zaad. In het volksgeloof werd de plant tot de heilige kruiden gerekend.
Met de namen Bijvoetwortel en Sint Janswortel voor de Bijvoet zijn we bij het gebruik van de wortel in de geneeskunde aangeland. Zowel in de volksgeneeskunst als in de officiële geneeskunst werd de plant gebruikt. In de apotheek was de wortel van de plant bekend onder Radix Artimisiae. Vroeger werd de wortel veel voorgeschreven bij lichte gevallen van epilepsie of vallende ziekte, hysterie en krampen. De gemalen wortel, meende men, was ook goed tegen de hoest. Dat de wortel in de officiële geneeskunde nog lang in gebruik is gebleven, kunnen we opmaken uit het feit dat de wortel in de vorige eeuw nog in de Nederlandse Farmacopee opgenomen was. We kunnen wel zeggen, dat thans het aanwenden als geneeskruid geheel verdwenen is.
De eerdergenoemde krans, die men in het vuur wierp, werd ook wel van de wortels gemaakt en aan het verterende vuur geofferd. Door het verbranden van de wortel moesten tevens alle ziekten en kwalen verdreven zijn, geloofde men. De magie kwam hier wel even om de hoek kijken. Dat de Bijvoet voor nog andere doeleinden werd gebruikt blijkt uit het volgende. Legt een meisje het kruid onder haar hoofdkussen, dan zal zij van haar toekomstige man dromen. Verzamelt men de wortels op vier september, en legt men deze vervolgens onder de kussens, dan zullen de kiezen en tanden nooit meer pijn doen. Een nogal gemakkelijke opdracht zouden we zeggen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

alsem ‘plantengeslacht; bitter aftreksel’ -> Japans † arusemu, arusen ‘plantengeslacht’; Negerhollands alsem, als ‘plantengeslacht; bitter aftreksel’; Papiaments † alsem ‘plantengeslacht’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut