Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

aloud - (niet jong, niet nieuw, sinds lang bestaand)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

oud bn. ‘niet jong, niet nieuw, sinds lang bestaand’
Onl. in het toponiem Aldenselen ‘Oldenzaal (Overijssel)’ [893, kopie 1222; Künzel], Allerslahta ouaz niwa ande ald ‘allerlei fruit, nieuw en oud’ [ca. 1100; Will.]; mnl. out ‘van vroeger, niet nieuw, lang bestaand; niet jong’ in uan ouden tiden ‘sinds lang’ [1236; VMNW], jnden ouden waterganc ‘in de oude waterloop’ [1273; VMNW], En wiuekijn ... Out ende cranc ‘een oud en zwak vrouwtje’ [1265-70; VMNW]; vnnl. oud.
Ontstaan uit onl. alt op dezelfde wijze als → koud uit onl. kalt.
Os. ald (mnd. alt, olt); ohd. alt (nhd. alt); ofri. ald (nfri. âld); oe. eald, ald (ne. old); on. alleen in afleidingen (het gewone woord voor de stellende trap is gamall ‘oud’, zie → gammel), bijv. aldr ‘ouderdom’ (nzw. ålder ‘leeftijd’); Krim-Gotisch alt; < pgm. *alda-. Uit de vergrotende resp. overtreffende trap *alþiza-, *alþista- bovendien o.a.: on. ellri, ellztr ‘ouder, oudst’ (nzw. äldre, äldst). Daarnaast pgm. *alþ-ja-, waaruit got. alþeis ‘oud’. Het woord betekent oorspr. ‘(op)gegroeid’ en hoort bij het werkwoord pgm. *alan- ‘voeden, doen groeien’, waaruit: oe. alan ‘voeden’; on. ala ‘(op)voeden’ (nno. ale ‘fokken, telen’); got. alan ‘zich voeden, opgroeien’.
Verwant met: Latijn altus ‘hoog’ (< ‘opgegroeid’?; zie ook → alt), ad-ultus ‘volgroeid’; Grieks ánaltos ‘onverzadigbaar’ (met negatieprefix); < pie. *h2l-to-, *h2el-to- (IEW 26-27). De verbale betekenis (pgm. *alan-) is verwant met: Latijn alere ‘voeden, laten groeien’; Oudiers ailid ‘id.’.
aloud bn. ‘zeer oud’. Vnnl. d' aelouwde ‘de mensen uit de oudheid’ [1644; iWNT], de doorluchtige daden der aloude helden ‘... van de helden uit de oude tijden’ [1646; iWNT naamhaftig]. Gevormd uit → al als versterkende bijwoord en oud.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

aloud bnw., nog niet bij Kil. De vorm aaloud, 17e-eeuwsch, nog archaïseerend, bewijst niet, dat het eerste lid = ohd. os. ala-, mnl. ael- is (zie al). Deze spelling is eer ontstaan, doordat men al-oud uitsprak ā-lout en toch voelde, dat de l bij ’t eerste lid hoorde.

Thematische woordenboeken

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Aaloud, zeer oud; uit oud met een versterkend voorvoegsel aal, go. ala, gelijk in bet. met al, go. all. Het is wel eens verkeerdelijk afgeleid van een niet bestaand adeloud, en daarom aêloud, en zelfs adeloud geschreven. Hetzelfde voorvoegsel komt voor in: aalwaardig.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut