Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

aloë - (lelieachtige vetplant; kweekproducten van het geslacht Aloë)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

aloë zn. ‘lelieachtige vetplant; kweekproducten van het geslacht Aloë
Mnl. aloe, ein crut ‘aloe, een kruid’ [1240; Bern.], dit cruut heetet aloe / aloe es goet ouer een / gheleit up .i. te broken been ‘dit kruid heet aloë; aloë is goed als men het over een gebroken been legt’ [1287; CG II, Nat.Bl.D].
Ontleend aan Latijn aloē < Grieks alóē, van niet-Indo-Europese herkomst, misschien een Dravidisch woord uit Tamil akil, dat zou zijn overgenomen via Sanskrit a-guru- in het Aramees-Hebreeuws ahalim of -oth ‘welriekende kruiden’.
Lit.: R. Hiersche (1982) ‘Der Irrgarten der Aloe’, in: J. Tischler Serta Indogermanica. Festschrift für G. Neumann zum 60. Geburtstag, Innsbruck, 121 e.v.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

aloë [plantengeslacht] {aloës 1201-1250} < latijn aloe [aloë, bitterheid] < grieks aloè [aloë], uit het semitisch: hebreeuws ʼahālīm (mv.), vermoedelijk ontleend aan een zuidaziatisch woord, vgl. oudindisch agaru- [aloëhout].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

aloë znw. v., ook mhd. aloe, eig. een Bijbelwoord, vgl. lat. aloe, gr. alóē < hebr. cahalim.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

aloë v., Mnl. aloes, gelijk Ohd. aloe (Mhd. en Nhd. id.), Ags. alewe (Eng. aloe), Fr. aloès, uit Lat. aloë, Gr. alóē, van Indisch haloha, over het Hebr. ahalot en Perz. alwah heen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

alewijn (ZO), zn. m.: aloë. Volksetymologisch < aloë < Lat. aloe 'bitterheid' < Gr. aloè.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

anewei (I), zn.: sterk purgeermiddel. Verhaspeling van aloë.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

aloë (Latijn aloe)

C.A. Backer (1936), Verklarend woordenboek van wetenschappelijke plantennamen

Áloë L. [C. Linnaeus], - Lat. transcr. van Gr. alŏê, naam eener bittere stof van plantaardigen oorsprong. - De bladeren veler Alŏë-soorten bevatten zeer bitter sap.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

aloë ‘plantengeslacht’ -> Japans † aroe ‘plantengeslacht’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

aloë plantengeslacht 1240 [Bern.] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal