Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

almanak - (kalenderboekje, jaarboek)

Etymologische (standaard)werken

Diverse auteurs (2011-), Etymologiewiki

Voor de betekenisontwikkeling van het internationalisme almanak kan die van het Italiaanse woord almanacco goed als model dienen. Zie hiervoor:

De betreffende paragraaf "Het woord almanacco" staat op p. 350-354.

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

almanak zn. ‘kalenderboekje, jaarboek’
Mnl. almanag [1426; Pfeifer]; almanack [1551; MNW pronosticatie].
Net als in andere West-Europese talen (Engels almanac, Frans almanach, Italiaans almanacco, alle 14e eeuw) ontleend aan Middeleeuws Latijn almanac(h) [1267; Corominas] < Spaans-Arabisch (bij een Catalaanse astronoom) al-manāḵ ‘de kalender, astrologische tabel’ [13e eeuw; Corominas]. De verdere herkomst van dit woord is onduidelijk. Mogelijk bestaat er een relatie met de aanduiding van de huizen (Latijn mansiōnēs) van de zodiak. Een vrij jonge en gewaagde hypothese is dat manāḵ een verkorting zou zijn van manāzil al-qamar ‘de huizen van de maan’ (Philippa 1991, 90).
Van oudsher wordt dit woord gebruikt voor allerlei astronomische tabellen, zoals kalenders met daarin de tijden van zonsopgang en -ondergang, de standen van de maan, planeten, etc. Bij uitbreiding wordt de naam almanak ook gegeven aan diverse andere, meestal jaarlijks uitgegeven naslagwerken met gevarieerde, maar wel altijd tabelachtige inhoud.
Lit.: Philippa 1991

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

almanak [kalenderboekje] {almanack 1401-1450} < middeleeuws latijn almanachus [kalender] < arabisch al manākh, waarvan de herkomst onzeker is; al is het ar. lidw.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

almanak

Een almanak is een kalender, meestal opgenomen in een jaarboekje dat ook andere gegevens bevat. Bekend is de Enkhuizer Almanak. Het woord is bekend in alle Westeuropese talen en ook daarbuiten. Het is, zoals vele woorden die met rekenen te maken hebben, door de Arabieren naar Europa gekomen, maar Arabisch is het woord oorspronkelijk niet. In een geschrift van zekere Porphyrius, dat wordt aangehaald door de in de 4e eeuw levende Eusebius, wordt het woord almenichiaka gebruikt als de naam van Egyptische kalenders. Men neemt aan dat het van Koptische oorsprong is, maar is er nog niet in geslaagd vast te stellen hoe het is samengesteld. Ook is wel gedacht aan samenhang met het Hebreeuwse werkwoord manah, delen, scheiden, tellen, maar ook dat is onzeker.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

almanak znw. m. In het begin der 15de eeuw staat in vlaamse rekeningen almanag, dat wel uit fra. almanach overgenomen is; dit gaat terug op mlat. almanachus, vgl. eng. almanac (1267), ital. almanaco (1345). Het mlat. woord < gr. alemenichiaká dat Eusebius († 340) in zijn ‘Praepar. evangelica’ als de naam voor de aegyptische kalender opgeeft; deze is van koptische herkomst.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

almanak znw., sedert de 16e eeuw. Oudnnl. ook almanach. In alle west-europ. talen en ook elders in gebruik Uit gr.-egypt. almenikhiaká, bij Eusebius (4e eeuw) de naam van egypt. kalenders.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

almanak m., in alle Europ. talen: oudste voorbeeld It. almanacco omstreeks 1300. Wellicht uit Ar. door Sp. in Europa gekomen. Meer is van den oorspr. niet bekend. Omdat Eusebius echter Porphyrius aanhaalt, die van Egyptische kalenders spreekt, almenikhiaká genoemd, onderstellen sommigen dat het een Koptisch woord is; anderen denken met meer recht aan Hebr.-Chald. mānah (= scheiden, tellen), daar de Chaldeeuwen van ouds voor de tijdrekenkunde bekend zijn; dus ware almanak = de teller, met het lidw. al en mānah dat wij uit het beroemde Mane, Thecel, Phares (Dan. V, 25) kennen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

almenak (zn.) kalenderboekje; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) almanac, Nuinederlands almanack <1551> < Latien almanac.

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

almanak s.nw.
1. Lys of tabel van dae en maande van die jaar, waarby sterre- en weerkundige gegewens, maansveranderinge, aanduiding van fees- en vakansiedae, ens. gewoonlik gevoeg word. 2. Boek met 'n almanak (almanak 1) wat 'n verskeidenheid van nuttige inligting bevat en waarin soms, veral vroeër, ook allerlei letterkundige bydraes opgeneem is.
Uit Ndl. almanak (al Mnl. in bet. 1, 1854 - 1855 in bet. 2). Eerste optekening in vroeë Afr. op 20 September 1675 in die aanhaling "verscheijde oude almanacken" (Resolusies van die Politieke Raad, C.9).
Ndl. almanak wsk. uit Middeleeuse Latyn almanachus uit Arabies al manakh, wat bestaan uit die Arabiese lw. al 'die' en manakh, met lg. uit Hebreeus manah 'skei, deel' wat by oordrag 'reken, tel' en vandaar 'tydrekening' beteken.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

almanak (Latijn almanachus?)

P.H. van Laer (1964), Vreemde woorden in de sterrenkunde, 2e druk, Groningen

Almanak (< Fr. almanach; < Gr. ἀλμεναχόν sc. βιβλίον (almenachon sc. biblion) of < ἀλμενιχιακά (almenichiaka) = → ephemeride, lijst van namen). Niet waarschijnlijk is een afkomst van het Arabisch, daar het Arabisch woord voor almanak taqwîm is. Hoogstens heeft het Arabische, overigens weinig gebruikte, woord al-manâkh als tussenvorm gediend.

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Almanak, een woord in geheel westelijk Europa voorkomend, en waarschijnl. uit het arabisch ontleend, waarin het ook een overgenomen woord schijnt te zijn, misschien uit het hebreeuwsch.

R. Dozy (1867), Oosterlingen, verklarende lijst der Nederlandschen woorden die uit het Arabisch, Hebreeuwsch, Chaldeeuwsch, Perzisch en Turksch afkomstig zijn, 's-Gravenhage

Almanak
Te recht heeft Engelmann (p. 49 vg.) de Arab. etymologiën, die men van dit woord voorgesteld heeft, verworpen. Het komt niet, zooals hij opmerkt, van den wortel manaha, die tellen zou beduiden, want ofschoon manah in ’t Hebr. die beteekenis heeft, zoo is daarvan in ’t Arab. geen spoor te vinden. Evenmin komt het van minha, geschenk, want die dit onderstellen, brengen iets zeer moderns op den ouden tijd over; de Arab. kalenders toch waren weinig geschikt om tot nieuwejaarsgeschenken te dienen en dienden daartoe ook niet.
Aan den anderen kant evenwel meen ik te moeten betwijfelen, of Engelmann wel gelijk heeft als hij te kennen geeft, dat het woord niet door de Arab. tot ons gekomen is. Dat het van Egyptischen oorsprong is, kan redelijkerwijze niet betwist worden, want in eene plaats van Porphyrius, door Eusebius aangehaald (De praepar. evangelica, t. III, 4 ed. Gaisford), wordt van Egyptische kalenders gesproken, die ἀλμενιχιακά genoemd worden. Hoe evenwel dat woord rechtstreeks van de Egyptenaren tot de Europeesche volken zou gekomen zijn, laat zich niet verklaren; de Arabieren moeten de bemiddelaars geweest zijn. Wel zegt Engelmann : “Du reste, et ceci est un argument décisif, les Arabes nomment leurs calendriers constamment tecwîm ou rouz-nâme [voeg er bij hisâb as-sjohour uit Hœst, Nachrichten von Marokos, p. 252]; même dans des manuscrits arabes qui traitent de cette matière, je n’ai pas réussi à découvrir un mot qui présentât quelque ressemblance avec notre almanaque;” maar daartegen moet ik opmerken, dat Pedro de Alcala (dien Engelmann anders vlijtig gebruikt heeft, zoodat het mij verwondert, dat hem dit ontsnapt is) het Spaansche almanaque in het Arab. vertaalt door manâk̇, plur. manaît, dus مناخ, plur. مناخات. Hieruit blijkt, dat de Spaansche Arabieren wel degelijk het woord manâch in den zin van almanak hadden; het is het Coptische, zoo even vermelde woord, welks eerste lettergreep de Arab. voor hun lidwoord hebben aangezien.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

almanak ‘kalenderboekje’ -> Duits Almanach ‘kalenderboekje’; Indonesisch almanak ‘kalenderboekje; kalender; dagboek’; Jakartaans-Maleis almenak ‘kalenderboekje’; Kupang-Maleis almanak ‘kalenderboekje’; Menadonees almanak ‘kalenderboekje’; Soendanees almenak ‘kalenderboekje’; Negerhollands almanak ‘kalender’; Sarnami almanák ‘kalender’; Surinaams-Javaans almenak ‘kalenderboekje’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

almanak kalenderboekje 1401-1450 [HWS] <ME Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

77. Almanak, leugenzak,

d.w.z. de opgaven van een almanak zijn niet te vertrouwen, vooral de weervoorspellingen niet. Vgl. Poirters, Mask. 3: Gelijck die eenen Almanach sou willen lesen, moet het boecksken een weynich van sijn oogen houden, ende daer niet op leggen; soo moet men ook de Werelt van verre besien, om te leeren wat voor eenen Almanach en Logensack sy is, wat quaet weder sy prognosticeert, wat tempeesten en eclipsen; Ndl. Wdb. II, 220; VIII, 1683. Zie ook Harrebomée, I, 13: De almanak en de courant brengen de leugens in het land; liegen als een almanakNdl. Wdb. II, 220.; fri. hy lycht as in almenak; Sewel, 47: 't Is een almanak-maker (een droomer), he is a fantastick, a dreaming man (vgl. hd. Kalendermacher); zie ook Molema, 6 a; Waasch Idiot. 395 b; Antw. Idiot. 158; D. Bl. I, 49; De Cock1, 249.

1952. Met een roode letter in den almanak aangeteekend staan,

d.w.z. als een heilige vereerd worden; hooggeschat, in eere gehouden worden; ontleend aan de gewoonte om in den almanak de heilige dagen met een roode letter aan te wijzen; vgl. eng. red-letter day, feestdag; hd. einen Tag im Kalender rot anstreichen. Zie De Brune, Bank II, 21: Kleyne beuzelinghen, die van passe zoo veel zouts hebben, dat-ze niet fletsch en smakeloos zijn, werden gecanonizeert, en verdienen een roode letter in den almanack; Pierlep. 6: Zoo je dat wel uitvoert, je bent een roo letter in jou Almanak; Hooft, Brieven, 563: Ik vind' er U.E. naam al meede gespelt, en, om zoo te zeggen met roode letters; Six. v. Chand. Poesy, 575:

 Ik teeken in myn almanach
 Met rooden ink dien goeden dagh.

Verder Van Effen, Spect. X, 135; Tuinman I, 22: hy zal geen roode letter in den Almanack krijgen; De Cock I1, 248; Volkskunde XIV, 150; Harrebomée I, 13: Het is geen heilige: hij zal geene roode letter in den almanak krijgen; Slop, 105: Hij behoorde tot de zoogenaamde beruchte lui, die met een rood kruis staan aangeschrevenOok in het Fransch beteekent être écrit là en lettres rouges, er slecht aangeschreven zijn; marquer quelqu'un à l'encre rouge.; Ndl. Wdb. XIII, 1182; 1183; vgl. het fri.: hy kriget in reade letter yn 't almenak, hij heeft zich verdienstelijk gemaakt, dit zal hem in 't vervolg goed doen. De Romeinen zeiden albo of candido calculo notare, met een wit steentje merken; vgl. no. 1238.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut