Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

almacht - (onbeperkte macht)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

almachtig bn. ‘onbeperkte macht hebbend’
Onl. ec gelobo in got alamehtigen fadaer ‘ik geloof in god de almachtige vader’ [eind 8e eeuw; CG II-1, 26]; mnl. almechtich [1280; Stall. I, 76], almachtig [1320; MNW].
Leenvertaling van Latijn omnipotēns (uit omnis ‘al’ en potēns ‘machtig’), zie verder → al, → macht, → -ig.
Os. alomahtig, -mehtig; ohd. alamahtig (nhd. allmächtig); ofri. el(le)machtich, -mechtich; oe. eallmihtig (ne. almighty)); on. almáttugr.
almacht zn. ‘onbeperkte macht’. Vnnl. almacht [1611; WNT]; eerder al mnl. almachtichede [1287; CG II, Nat.Bl.D]. De jongere afleiding is ontstaan onder invloed van het zn. macht bij machtig.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

almacht znw. v., nog niet mnl. (wel bnw. almachte, almachtig), maar reeds hd., alamaht, gevormd als vertaling van lat. omnipotentia. In het nhd. wordt het woord allmacht eerst in de 17de eeuw gebruikt en is dan afgeleid uit het bnw., dat reeds oud is, vgl. os. alomahtig, ohd. alamahtig, oe. ælmihtig, on. almāttigr.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

† almacht znw., niet bij Kil., wel al 17e eeuw. Evenals hd. allmacht v. (sedert de 16e eeuw) gevormd bij

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut