Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

allochtoon - (van vreemde afkomst, uitheems), (niet-oorspronkelijke bewoner)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

allochtoon bn. ‘van vreemde afkomst, uitheems’, zn. ‘niet-oorspronkelijke bewoner’
Nnl. allochthoon (bn.) (gezegd van veen en steenkool) [1920; WNT], allochtonen (zn. mv.) [1971; Kuitenbrouwer].
Als geologische vakterm wellicht ontleend aan Frans allochtone [1907], een neologisme gevormd op basis van Grieks állos ‘ander’ (zoals in → allegorie, → allergie, → parallel, en verwant met mnl. el ‘anders’, zie → elders) en khthṓn ‘aarde, land’ (zoals ook in → autochtoon; Indo-Europees verwant met gom in → bruidegom).
In het begin uitsluitend in de geologische zin gebruikt om de herkomst van stoffen kenbaar te maken. De Nederlandse sociologe Hilda Verwey-Jonker gebruikte het woord als eufemistisch zn. om het begrip migrant te vermijden. Nederland wenste namelijk niet te boek te staan als immigratieland. Sinds de jaren 1980 is de (nog steeds eufemistische) betekenis verschoven naar ‘migrant uit een niet-Europese cultuur’.
Lit.: Horst 1995, 168-170; J. Kuitenbrouwer ‘Allochtoon’, in: De Volkskrant 09-03-2000; M. De Coster & A. Wethlij (2004) ‘Allochtonen en co.’, in Neerlandia 108, 32-33

EWN: allochtoon bn. ‘van vreemde afkomst, uitheems’, zn. ‘niet-oorspronkelijke bewoner’ (1920)
ANTEDATERING: de lagen zijn bodemecht of autochtoon, of ze zijn bodemvreemd of allochtoon [1910; Nieuwsblad van het Noorden (KB) 15/12]
Later: spanningen … tussen de autochtone en de allochtone bevolking [1955; De Tijd (KB) 27/5] (EWN: 1971)
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

allochtoon [niet-inheems] {1901-1925} gevormd van grieks allos [een andere] + chthōn [aarde, grond, land].

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

allochtoon (van Grieks allo- + chthōn)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

allochtoon ‘buitenlander’ -> Papiaments alòkton, alòhton ‘buitenlander’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

allochtoon [Nederlander van buitenlandse afkomst] (1971). Allochtoon (‘buitenlander’) wordt in 1971 in deze vorm en betekenis geïntroduceerd door de sociologe Hilda Verwey-Jonker (1908-2004). Zij gebruikt de term als alternatief voor het woord immigrant, dat tot die tijd gebruikelijk was.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

allochtoon niet-inheems 1920 [WNT allo-]

allochtoon buitenlander 1971 [Burger en De Jong 182]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut