Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

alles - (alle dingen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

alles vnw. ‘alle dingen’
Vnnl. alles, t'alles ‘in het geheel’ [1607; Kil.].
Mogelijk is dit de genitief van → al (zoals → niets de genitief is van niet). Men vergelijke zinnen als mnl. alles te daruene ‘gebrek te hebben aan alles’ [1246; MNW], waarin alles een genitief (afhankelijk van het werkwoord darven) is. Bij het verval van het naamvalssysteem zou dan de genitief als accusatief zijn opgevat. Hoewel het dus in vorm lijkt op de genitief van al, is het volgens anderen overgenomen uit Duits alles, Oudhoogduits allez, allaz (onzijdige vorm van al). Misschien hebben beide ontwikkelingen samengewerkt.

EWN: alles vnw. 'alle dingen' (1607)
ANTEDATERING: ende alles met hen ooghen ghesien 'en alles met eigen ogen gezien' [1561; iWNT zijn I]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

alles* [de gezamenlijke hoeveelheid] {1599-1607} 2e nv. van al, vgl. alles te darvene [alles te derven, alles te ontberen] {1236} in het middelnl. tot 1e nv. geworden.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

alles vnw., eerst in het nnl. voorkomend, naar de vorm de gen. van al, vgl. nd. en fri. alles. Het hd. alles gaat terug op ohd. allaz = got. allata, naar de vorm nom. acc. o. enk., wat beter tot betekenis en gebruik van het woord past; ontlening uit het hd. is daarom wel waarschijnlijk.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

alles onz. enk., eerst-nnl. (reeds in den Statenbijbel ’t gewone woord) is òf onder hd. invloed opgekomen òf ’t is de gen. enk. van al. Deze kwam mnl. als bijw. voor = “in alle opzichten, in hooge mate, al te zamen”, evenzoo in andere germ. talen. Alles “omnia” is ook fri. en ndd. Hd. alles = ohd. allaʒ, got. allata, nom. acc. o. enk.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

alles voornw., niet uit al + des, noch al + es, dit ware al met den gen. van het demonstr. of van ’t pron. van den 3 pers., maar genit. van al berustende op een ellipse: al alles = tout de tout; verg. niets en iets.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

al (onbep. vnw.) alles; Aajdnederlands al <901-1000>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

alles s.nw.
Al die dinge saam.
Uit Ndl. alles (al Mnl.), in die 16de en 17de eeu ook als, al's, alls en all's. Mnl. alles, die genitief van al, het in Ndl. nominatief geword.

2als s.nw.
Alles.
Uit 16de en 17de eeuse Ndl. als, 'n sametrekking van alles.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

al’les tw., raak, je bent erbij, e.d. (uitroep bij kinderspel).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

als III: verk. vorm v. alles (by WAT as elisiev. al’s); sametr. reeds in Ndl. (WNT II 198, 238 en Supp 946).

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Alles hooftelw., vnw. In die uitdrukking en alles: Sy het kinders en alles, en tog loop sy van haar man af weg. Hy is diaken en alles, en kyk wat ’n lewe lei hy. Dit is mooi weer en alles, en tog... – In ’n gesprek van 15/8/1930 het ek gehoor: “Zij is 103 jaar en leest nog zonder bril en alles.” Ter Laan 3: “In aal, nog wel. Ik heb ’t veur joe ien ṑdder maakt en aal, en nou goa je nòg teegṇmie zo te keer. ’t Is licht moan in aal, er komt nog bij, dat het lichte maan is. Hai is ṑlderling in aal, hy is nog wel ouderling!” Dieselfde gebruik van en al, en alles staan ook geboek by Corn. en Vervl. 1543 en Ruten 13.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

alles. Met de hedendaagse verwensing krijg alles! wordt letterlijk niets anders bedoeld dan ‘krijg alles wat er aan ziektes en andere ellende te krijgen is’. De betekenis die hier evenwel wordt gerealiseerd, is de emotionele ‘ik erger mij kapot aan je, ik walg van je, rot op’. Sanders en Tempelaars (1998) geven nog als varianten krijg nou gauw alles! en krijg nou echt alles! Een unicum lijkt te zijn krijg alles wat er op het bord van de polikliniek staat, behalve de dokter en het spreekuur! Deze zwierige verwensing kregen zij van een zegsman uit Rotterdam.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

alles* onbepaald voornaamwoord 1599-1607 [Claes]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1478. Een Manusje van alles,

d.i. iemand die voor alle voorkomende bezigheden gebruikt kan worden, die van alle markten thuis is. Manus is een gewone mannennaam, zoodat de uitdr. niets anders beteekent dan een man, die van zessen klaar is; fr. un Jean fait tout. Harrebomée II, 66 citeert: Het is een Manusje van (of in) alles, dat wil zeggen: het is een koopman, bij wien men in alle zaken teregt kan komen; Woordenschat, 696: ‘Manus of manusje van alles, factotum, omnishomo, de man die alles doet. Woordspeling tusschen manus (lat.) = hand en Manus = Hermanus’ (m.i. onaannemelijk). In den tegenwoordigen zin lezen we in het Het Volk, 4 Nov. 1913, p. 5 k. 3: Dit (een kruier) was een man met wat men noemt veelzijdig talent of diverse bekwaamheden, een duvelstoejager of manusje van alles; De Tijd, 16 Jan. 1914, 2de bl. p. 1, k. 1: Een Engelsch gepensioneerd kapitein wordt 's vorsten particulier secretaris en ‘omnis homo’ ofwel Manusjevan-alles; Het Schoolblad, 1914, kol. 1152: In een tijd, die dweept met verdeeling van arbeid, wil men toch den onderwijzer een manusje van alles laten blijven; Op R. en T. 30: De bootsman is een knutselaar, een man, die volgens 't zeggen van den administrateur, een Manusje van alles is: hij maakt met z'n handen wat z'n oogen zien; Nw. School, VII, 191: De onderwijzer is een specialiteit in alle vakken, een manusje van alles.Aan een Zigeunerwoord manuš. d.i. mensch. behoeft niet te worden gedacht (zie Album-Kern, 25).

2259. Van alles (overal van) thuis zijn,

d.w.z. van alles weten, op de hoogte zijn; eig. in niets een vreemdeling zijn; vgl. Halma, 230: Hij is overal van te huis, il n'ignore rien, il sait beaucoup de choses, il s'entend à tout. Hiernaast thuis zijn in iets, er bedreven in zijn, er van op de hoogte zijn; vgl. C. Wildsch. III, 46: Hij weet krachtig veel, en van alles, hij is overal thuis! Tuinman I, 159; Sewel, 349; hd. in einer Sache zu Hause sein. Zie no. 1479.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut