Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

alleen - (zonder gezelschap), (slechts)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

alleen bn. ‘zonder gezelschap’, bw. ‘slechts’
Mnl. allene (bw.) ‘alleen’ [1237; CG I, 38], allene ‘slechts, alleen’ [1240; Bern.].
Verbinding van het versterkend bijwoord → al ‘helemaal’ met het telw.een.
Mnd. allene; mhd. alein(e) (nhd. allein); ofri. alena (nfri. allinne); oe. all āna (me. all one, alone, ne. alone); on. all-einna.

EWN: alleen bn. 'zonder gezelschap', bw. 'slechts' (1237)
ANTEDATERING: allene 'alleen' (bn. en bw.) [1236; VMNW]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

alleen* [zonder gezelschap] {allene 1201-1250} van al [geheel en al] + één.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

alleen bnw., mnl. allēne, mnd. allēne, mhd. al-eine, ofri. al ēna, allēna, laat-oe. eall āna (ne. alone) — Gevormd uit al en ene, zwakke vorm van een.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

alleen bnw., bijw., mnl. allȇne. Ontstaan uit al bijw. en ȇne, den zwakken vorm van een met de bet. “alleen”. Evenzoo mhd. al-eine (nhd. allein), mnd. allȇne, ofri. al ȇna, allȇna, laat-ags. eall ȃna (eng. alone) “alleen”. Mnl. allȇne “geheel gelijk” bevat hetzelfde ȇne in de bet. “een, dezelfde’’. Ook deze samenst. komt in andere talen voor. Het hierbij hoorende bijwoord heeft een rijke bet.-ontwikkeling. Zie Franck Tschr. 17, 73— 81 en vgl. nog geld. allins, Zaansch alleens(ch) “eveneens, gelijk”, welk woord ook in ’t oudere Nnl. veel voorkomt.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

alleen. Uit het Ndd. de. alene, zw. allena.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

alleen bijv., Mnl. alene + Mhd. alein (Nhd. allein), Eng. alone, uit al, versterkend bijw. = geheel en al, en een dat in de oudere Germ. talen = op zich zelf, seul.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

allein (bn.) alleen; Vreugmiddelnederlands allene <1237>.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Alleen, Mnl. al-ene, waarin al een versterkende kracht heeft, n.l. geheel en al; dit al of aal komt ook nog voor in aloud (aaloud), alwaardig en allodium (z. d. w.).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

alleen ‘zonder gezelschap; slechts’ -> Deens alene ‘zonder gezelschap’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors alene ‘zonder gezelschap; slechts’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds allena ‘zonder gezelschap’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands alleen, alē, alēn ‘zonder gezelschap; slechts’; Berbice-Nederlands alen ‘zonder gezelschap’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

alleen* bijwoord: zonder gezelschap 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1528. Moederziel alleen,

d.w.z. geheel alleen, van allen verlaten; 17de eeuw moerlijck alleen, moederlijck alleen. In de middeleeuwen zeide men (al)moederene, mhd. muotarseine, muoter-eine, waarin ene, mhd. eine, een voorzetsel is met de beteekenis van verlaten van, gescheiden van, zonder, zoodat moederene eig. beteekent (zelfs) gescheiden van de moeder, geheel verlaten. Door de gewone versterking van al werd dit moeder aleene, hd. mutter-allein, terwijl het eerste lid later versterkt werd door ziel of mensch, zoodat men nu kreeg moederziel of moedermensch alleen (vgl. mnl. moederbaren en thans geen christenmensch, geen christenziel, vrouwmensch (vrommes), gijn moudersmensch (Molema, 271 b). Zie voor andere vormen Taalgids I, 125-127; Schuermans, 383; De Bo, 704 a en 685 a: mensch alleen; Loquela 323: moedergods alleen; moederchristenzielalleene en vgl. nog Zeitschrift für D. Wortforschung III, 246-249; Ndl. Wdb. IX, 941; Villiers, 81.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut