Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

allah - (naam van God bij de moslims)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

Allah [naam van God bij de moslims] {1686} geen eigennaam maar < arabisch allāh, samentrekking van al + ilāh [de god], vgl. hebreeuws ʼēl [god].

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

alla tw. (dikw. voorafgegaan deur o)
Uitroep van verbasing, misnoeë, vermakerigheid of grootpraterigheid.
Wsk. uit Kaapse Maleis Allah 'God, Opperwese'. Die gebruik van Allah as uitroep val al die Nederlanders wat Afr. woordelyste opgestel het, op: Volgens Changuion (1844) is Alláh in navolging van die Maleiers gedurig as 'n uitroep misbruik. Pannevis (1880), Leibbrandt (1882) en Mansvelt (1884) is dieselfde mening toegedaan. Volgens Pannevis en Du Toit (1908) het Alla in navolging van die Maleiers onbewustelik 'n vloekwoord geword. Die uitroep alla is eers in 1873 in Ndl. opgeteken, met vermelding dat dit 'vooral in het Zuiden (ook in het Afrikaansch) als uitdrukking van verwondering' gebruik word (WNT). Om hierdie rede is dit meer wsk. dat Afr. alla aan Kaapse Maleis ontleen het as aan S.Ndl. Alla kom veral voor as eerste lid van samestellings en samestellende afleidings, waar naas alla- ook alle- gebruik word en albei dikw. verbind met o.a. -maskas, -mensig, -wêreld, asook met vorme op -tig naas -tag, o.a. -giftig/-giftag, -kragtig/ -kragtag, -magtig/-magtag, -mintig/-mintag, wat dikw. as krag- of bastervloekwoorde gebruik word. Hierdie samestel-lings en samestellende afleidings word as tw., maar ook as b.nw. in die bet. 'geweldig, verskriklik', gebruik.

N. van der Sijs (bezorger) (2003), Uit Oost en West. Verklaring van 1000 woorden uit Nederlands-Indië van P.J. Veth (1889), met aanvullingen van H. Kern en F.P.H. Prick van Wely (1910), Amsterdam. Gebaseerd op: Uit Oost en West. Verklaring van eenige uitheemsche woorden van P.J. Veth uit 1889, recensie van het werk van Veth door H. Kern in De Indische Gids van 1889, en ‘Etymologisch aanhangsel’ (p. 297-350) uit het Viertalig aanvullend Hulpwoordenboek voor Groot-Nederland van Prick van Wely uit 1910

Alla(h)! [uitroep] Arabisch Allah = God, in het Indisch-Nederlands en in Zuid-Afrika vaak gebezigd als uitroep van verbazing. [P]

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

Allah (Arabisch allāh)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

Allah naam van God bij de moslims 1686 [WNT verwoedheid] <Arabisch

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut