Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

alibi - (bewijs van onschuld doordat men elders was)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

alibi zn. ‘bewijs van onschuld doordat men elders was’
Vnnl. alibi ‘id.’ [1510; Wielant].
Afleiding van het Latijnse bijwoord alibī ‘elders, bij een ander’, dat een samenstelling is uit alius ‘ander’ (zie → elders, → ellende, en ook → alias) en ibi ‘daar’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

alibi [het aanwezig-zijn elders] {1510} < latijn alibi [ergens anders, bij een ander], van alius [een ander(e)] + ibi [daar].

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

alibi (Latijn alibi)

T. Pluim (1922), Wetenswaardig allerlei: bijdragen tot algemeene kennis voor studeerenden bijeenverzameld door T. Pluim, Groningen

Alibi (Lat. = ergens anders; klemtoon op li). In de rechtspleging spreekt men van “zijn alibi bewijzen”; dit beteekent, dat de aangeklaagde het bewijs levert, dat hij op het oogenblik, waarop de misdaad (bijv. een moord) plaats had, ergens anders was, zoodat daardoor zijn onschuld daghelder blijkt.

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Alibi bewijzen (Zijn), bewijzen, dat men op den tijd, waarop een misdaad plaats heeft gehad, op een andere plaats vertoefd heeft dan daar, waar die misdaad gepleegd werd; alibi (latijn) = elders, op een andere plaats, van denzelfden stam, die in dat elders schuilt.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

alibi ‘het aanwezig-zijn elders’ -> Indonesisch alibi ‘het aanwezig-zijn elders’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

alibi het aanwezig-zijn elders 1510 [WNT] <Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

76. Een alibi.

Evenals alias komt dit woord als znw. in klassiek Latijn niet voor. Het beteekent eig. ergens anders, elders en wordt gebruikt in de uitdr. ‘zijn alibi kunnen bewijzen’, d.i. kunnen bewijzen, dat men op den tijd dat een misdaad gepleegd werd, op een andere plaats (= alibi) was. In het Fransch wordt het reeds in de 14de eeuw aangetroffen (Hatzfeld p. 70); fr. prouver l'alibi; hd. sein Alibi nachweisen oder beweisen; eng. to prove an alibi.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal