Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

alchemist - (beoefenaar van de alchemie)

Etymologische (standaard)werken

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

alchimist znw. Evenals mnl. alkemist m., mhd. alchimiste m. (nhd. alchimist), fr. alchimiste uit mlat. alchimista, een afl. van alchimia, waaruit mnl. alkemîe, alkamîe, mhd. alchemîe, alchamîe v., nndl. nhd. fr. alchimie. Mlat. alchimia = spa. alquimia, uit arab. al-kîmîâ ontleend, waarin al lidwoord is (vgl. alcohol, algebra, alkoof, abrikoos), kîmîâ komt van gr. khēmeia “chemie”, een afl. van khumós “sap” met jongere ē.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

alchemist. Misschien is het juister gr. khēmeía het naast af te leiden van chúma in de technische betekenis ‘metaal- (vooral goud-)gietsel’: Diels KZ. 47, 149 vlg.
Vgl. nog chemie Suppl.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal