Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

alarm - (waarschuwing)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

alarm zn. ‘waarschuwing’
Mnl. roepen alarme ‘met luide stem kabaal maken’ [1479; MNW rancoor], alarm [1488; MNHWS]; vnnl. al(l)arme, alerm, alarm ‘signaal, toestand’ [1500-25; WNT], Terstont sloechmen alarme ‘meteen maakte men alarm’ [1530; MNW vaenkijn], alarm slaen ‘alarmeren’ [1556; WNT].
Ontleend aan Frans alarme [ca. 1470; Rey], als zn. ontwikkeld uit de oproep a l'arme ‘te wapen’ [1310; Rey] < Italiaans all'arma, bij Latijn arma (mv.) ‘wapens’ bij het werkwoord armāre ‘bewapenen’ (waarbij ook bijv.armatuur, → gendarme). Hieraan ten grondslag ligt wrsch. Latijn armus ‘bovenarm’, zie → arm 1; de betekenis heeft oorspr. misschien alleen betrekking gehad op wapens die de arm zogenaamd versterken, zoals bijv. het schild.
alarmeren ww. ‘waarschuwen’. Vnnl. allarmeren ‘verontrusten’, alarmeren ‘waarschuwen’ [als gealarmeerd 1777; WNT Supp.]. Ontleend aan Frans alarmer, afleiding van alarme.

EWN: ♦ alarmeren ww. ‘waarschuwen’ (1777)
ANTEDATERING: vnnl. allermeren 'verontrusten' [1654; iWNT]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

alarm [noodsein, onrust] {1488 in de betekenis ‘beroering, opschudding’} < frans alarme < italiaans allarme, van all'arme = a l'arme [tot de wapens, te wapen], van arma [wapen] < latijn arma [uitrusting, oorlogstuig, wapens]; het o. mv. arma werd later aangezien voor vr. enk.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

alarm znw. o., laat-mnl. al(l)arme, alerm < fra. alarme = à larme < ital. alle arme ‘te wapen’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

alarm znw. o., laat-mnl. al(l)arme, alerm. Evenals 15-eeuwsch hd. alerm, alarm, alarmen “alarm, lawaai” (nhd. alarm, lärm m.; de korte vorm reeds in de 16. eeuw; uit ’t Duitsch de. alarm, larm, zw. larm), eng. alarm, larum uit fr. alarme of it. allarme, eig. all’ arme “te wapen”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

alarm. Ook (laat-?) mnd. allarm m. o.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

alarm o., gelijk Hgd. lärm, uit Fr. alarme, van It. all’arme = naar de wapens (d.i. te wapen: verg. Fr. aux armes).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

alerm (zn.) noodsein; Middelnederlands alarm <1488> < Frans alarme.

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

alarm s.nw.
1. Hewige rumoer of lawaai. 2. Onruswekkende opskudding, ontsteltenis. 3. Geluid of sein as waarskuwing van dreigende gevaar, noodsein. 4. Toestel wat deur 'n geluid waarsku dat 'n gevaar bestaan.
In bet. 1, 2 en 3 uit Ndl. alarm (al Mnl. in bet. 1 en 2, 1500 - 1525 in bet. 3). In bet. 4 uit Eng. alarm (1586). Eerste optekening in vroeë Afr. op 21 Oktober 1653 in die aanhaling "eenigh alarm ofte ongelegenheijt" (Resolusies van die Politieke Raad, C.1).
Ndl. alarm en Eng. alarm uit Oudfrans alarme, met lg. van a l'arme, 'n wapenkreet waarmee troepe by nadering van 'n vyand of ander dreigende gevaar opgeroep is om hul wapens op te neem.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

alerm zn. m.: iemand met veel kouwe drukte. Dial. uitspr. van alarm. Mnl. roepen alarme ‘met luide stem kabaal maken’. Uit Fr. alarme < à l’arme ‘te wapen’ < It. all’arma < Lat. arma ‘wapens’.

tèllèrm zn. m.: geklets, gepraat. Door proclitische aanhechting van het onzijdige lidwoord uit ‘t ellerm ‘het alarm’.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

alarm (Frans alarme)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Alarm van ’t Fr. à-l’-arme, en dit van ’t It.: allarme = naar het wapen (gegrepen)! Thans in ’t Fr.: aux armes! In ’t Eng. werd het larum, en in ’t Hgd. Lärm.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

alarm ‘noodsein; onrust’ -> Duits Lärm ‘noodsein, strijdkreet, lawaai’; Deens larm ‘lawaai’ (uit Nederlands of Nederduits); Deens alarm ‘noodsein; onrust’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors larm ‘lawaai’; Noors alarm, allarm ‘noodsein’ (uit Nederlands of Duits); Ambons-Maleis alaram ‘noodsein; onrust’; Makassaars alârang ‘noodsignaal’; Negerhollands allarm, alarm ‘noodsein; onrust’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

alarm noodsein, onrust 1488 [HWS] <Frans

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

72. Alarm

is eigenlijk een wapenkreet, ontleend aan het fr. alarme of het ital. allarme, eig. all' arme, te wapen, dat later in den vorm alarme als znw. gebruikt werd. In figuurlijke toepassing werd het als noodkreet gebruikt bij gevaar of onraad in het algemeen; vgl. Kiliaen: alarm, ad arma, te wapen. Ook in verschillende uitdrukkingen komt het voor als:

74. Een loos (valsch) alarm,

eigenlijk een oproep te wapen, zonder dat er gevaar aanwezig is; een oproep te wapen zonder dreigend gevaar, maar met het doel om de troepen te misleiden. In figuurlijke toepassing een opschudding of onrust, waarvoor geen grond aanwezig is. Zie Kiliaen: Loosen alarm, ficta impressio; het Ndl. Wdb. II, 90-93; Antw. Idiot. 155; fri. in falsk alaerm; fr. une fausse alarmeBeter is: une fausse alerte.; hd. ein blinder Lärm; eng. a false alarm.

73. Alarm blazen,

veel ophef maken van een dreigend gevaar, en daardoor onrust, schrik en angst in de gemoederen wekken; eigenlijk de trompet blazen, om de troepen in de wapenen te roepen. Vgl. Plantijn: Alarm slaen, sonner l'alarme, ad pugnam canere, conclamare ad arma. Kiliaen, 832: Alarm slaen oft roepen, ad arma conclamare, vocare. In de plaats van alarm blazen wordt ook gebruikt: de alarmklok luiden; mnl. clocke slaen, diè stormclocke luden, onrust, schrik en angst in de gemoederen wekken, alles in rep en roer brengen, als dreigden er de grootste gevaren.Bij Coster, 510, vs. 426: de krackeelklok luiden. Vgl. ook den alarmkreet aanheffen, de alarmtrom roeren, de alarmtrompet steken, die alle in denzelfden zin gebruikt worden. In het Land v. Waas: nen alerm maken, groot misbaar maken; evenzoo in het Zuid-Oostvl. zie Teirl. 65: alarme maken; fri. alaerm slaen, utjaen, meitsje. hd. Lärm blasen, Lärm schlagen; fr. sonner l'alarme ou la cloche d'alarme; eng. to sound, beat an alarm.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal