Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

akkoord - (overeenstemming, overeenkomst; samenklank)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

akkoord zn. ‘overeenstemming, overeenkomst; samenklank’
Mnl. die van onsen acorde sijn ‘die tot onze partij horen, aan onze kant staan’ [1290; CG I, 1454], accort, acort, acc(o)rde ‘eensgezindheid, eenstemmigheid, instemming’ [1250-1300; MNW], acort ‘harmonische samenklank’ [1350; MNW].
Ontleend aan Frans accord ‘overeenstemming’ (accorde [ca. 1080; Rey]), ‘harmonische samenklank’ [1341; Rey], ‘gelijktijdig en harmonisch klinkende tonen’ [1538; Rey]. Dit is een afleiding van het werkwoord accorder ‘overeenstemmen’ < Latijn adcordāre ‘verzoenen’, gevormd uit → ad- en het zn. cor (genitief cordis) ‘hart’ (zie → hart). De jongste, muzikale betekenis is volksetymologisch beïnvloed door het woord corde ‘snaar’ (zie → koord).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

akkoord [overeenkomst] {accoort 1290} < frans accord < middeleeuws latijn acordum [harmonische samenklank], van ad [tot] + chorda [snaar] → accorderen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

akkoord znw. o., < fra. accord ‘overeenstemming, overeenkomst’, afgeleid van accorder < vlg. lat. adcordare naast concordare ‘verzoenen’. Sedert de 15de eeuw betekent accorder ook ‘instrumenten stemmen’ (onder invloed van corde ‘snaar’).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

akkoord o., Mnl. accoort, uit Fr. accord, verbaalabstr. van accorder = (doen) overeenkomen, Mlat. accordare, van ad (z. togen), en cor (z. hart).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

dakkoo(r)d, bn.: akkoord. Zoals Vl. takkoord < Fr. d’accord.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

takkoord, bw.: akkoord, het eens. Fr. d'accord.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1akkoord s.nw.
1. Ooreenkoms, skikking. 2. (musiek) Sameklank van drie of meer tone in 'n oktaaf.
Uit Ndl. akkoord (al Mnl.).
Ndl. akkoord uit Fr. accord 'ooreenstemming, ooreenkoms', 'n afleiding van die ww. accorder. Onder invloed van corde 'snaar' beteken accorder sedert die 15de eeu ook ''n instrument stem'.
Vgl. 2akkoord, akkordeer.

2akkoord b.nw.
Juis, in orde.
Uit Ndl. akkoord (1511) 'ooreenstemmend'.
Ndl. akkoord uit Fr. segswyse d'accord 'ooreenkomstig, juis'.
Vgl. 1akkoord, akkordeer.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

takkoord (K), bw.: akkoord (gaan). Fr. d’accord.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

akkoord (Frans accord); (tot een -- komen) (vert. van Frans arriver à un accord)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

acc. ‘accept, sta toe; (verouderd) akkoord’ -> Indonesisch acc, asésé ‘geaccordeerd; oké’; Ambons-Maleis acc ‘akkoord’; Jakartaans-Maleis asésé ‘akkoord’; Menadonees asésé ‘akkoord’.

akkoord ‘overeenkomst’ -> Fries akkoart ‘overeenkomst’; Duits Akkord ‘overeenkomst’; Indonesisch akor ‘instemming’;? Atjehnees akō ‘eensgezind, eendrachtig, harmoniërend; eensgezindheid, eendracht, harmonie’; Boeginees akôró ‘overeenkomst’; Jakartaans-Maleis akur ‘overeenkomst’; Javaans akur ‘overeenkomst; eensgezind’; Kupang-Maleis akor ‘instemmen; overeenkomen’; Madoerees akor ‘overeenkomst’; Makassaars akôró ‘instemmen’; Menadonees akor ‘overeenkomst’; Sasaks akor ‘overeenkomst’; Singalees akaradāra(va) ‘overeenkomst’ (uit Nederlands of Portugees); Negerhollands akkord ‘overeenkomst’; Surinaams-Javaans akur ‘goed met elkaar leven; eensgezind’; Surinaams-Javaans akurt ‘instemmen, het eens zijn, goedvinden’.

akkoord ‘samenklank’ -> Indonesisch akor ‘samenklank’; Papiaments akort ‘samenklank van ten minste drie tonen van verschillende toonhoogte’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

akkoord overeenkomst 1290 [CG I2, 1454] <Frans

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

69. Akkoord zijn,

van rekeningen, berekeningen, opgaven, redeneeringen, enz. gezegd. In overeenstemming zijn met hetgeen zij behooren te wezen, met de waarheid of met den regel overeenkomen, juist zijn. In de 16de eeuw: met iem. accoord pijpen, d.i.: m.i.a. gaan. Ontleend aan de fransche zegsw. être d'accord, mnl. van accorde sijn, in navolging waarvan men eerst te akkoord, t' akkoord zeide, en vervolgens, met weglating van het voorzetsel, enkel akkoord (vgl. pal staan en schrap staan). In Zuid-Nederland zegt men thans nog t'akkoord; De Bo, 43; Waasch Idiot. 69 b; Antw. Idiot. 154; Teirl. 63; Ndl. Wdb. II, 34; Mnl. Wdb. I, 305; fri. akkoart. Vandaar ook nog akkoord bevinden, d.i. juist bevinden, en met iemand akkoord gaan, het met hem eens zijn.

Hierbij behoort ook de zegsw. het op een akkoordje gooien of smijten (zie V. Janus III, 230), een verschil bijleggen en zich onderling verstaan door van weerskanten iets toe te geven; Ndl. Wdb. II1, 30; fri. it op in akkoartsje smite.

70. Akkoord, Van (der) Putten! of Akkoord, Van Varelen!

Volgens het Ndl. Wdb. II, 34 een schertsende uitbreiding van het enkele Akkoord! in verschillende steden ontstaan (het eerste, naar men zegt, te Delft, het tweede te Haarlem), in toespeling op personen van die namen, die dat woord telkens in den mond hadden; maar later ook elders doorgedrongenZoo deelt iemand in den Nav. III, bijbl. LVIII mede, dat een sappeur in den tiendaagschen veldtocht dien naam droeg, en diens vrouw al het door hem gezegde met de zinsnede placht te bevestigen: Accoord Van Putten. Een ander ziet in dezen V. Putten een timmerman uit Delft (Nav. III, bijbl. LI); een derde denkt aan een kastelein te Hellevoetsluis (Nav. VIII, 296); weer een ander aan een rijksroeier te Rotterdam (Nav. XXXIV, 37); terwijl nog een andere navorscher meent, dat de naam ontleend is aan een tooneelspel of een verhaal (Nav. XXXIX, 468). Vgl. ook Harrebomée II, LVII; I, 12, 13, en de zegswijze: accoord Van Swieten, - George.. Of men aan een werkelijk bestaan hebbenden persoon moet denken, is te betwijfelen; evenmin als dit noodig is bij: ik, zei de gek; daar ga je, Albert; goed zoo, Pietje; ruiten, Jan Berend; pak aan, Klaas; haal in, Claes Lou (17de eeuw); wat nu? sprak het meisje; de nieuwe politiek van haal-naar-je Klaas JansenVoorbeelden ontleend aan Dr. Leendertz, Warenar, blz. 169.; bedaar Arie! blijf in je pothuis (Amst. 59) en andere, al is het voorkomen van namen van historische personen in dergelijke uitdrukkingen niet ongewoon: 't Kan verkeeren, zei Breeroo. Dat nooit, zei Van Speyck.Het Weekblad (bijv. van Het Volk), 15 April 1913, kol. 1.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal