Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

akkerwinde - (Convolvulus arvensis)

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

akkerwinde s.nw.
Tingerige rank- of slingerplant met wit tot rooskleurige, trompetvormige blomme.
Uit Ndl. akkerwinde, 'n samestelling van akker 'akker' en winde 'slingerplant', so genoem omdat die plant 'n lastige onkruid in akkers is.

Thematische woordenboeken

W. Deconinck (2019), Plantennamen nader toegelicht, Kortrijk.

winde
Haagwinde | Calystegia sepium (L.) R. Brown
Akkerwinde | Convolvulus arvensis L.

De Haagwinde heeft een snelgroeiende, lange stengel die zich vasthecht en zich windt rondom de stengels en de bladeren van andere planten of die klimt in haagvormende planten. De stengel is moeilijk los te maken van de planten waarrond ze gewonden is.

F. Kok (2007), Waarom brandnetel?, Nieuwegein

Akkerwinde, Convolvulus arvensis
Convolvulus: is afgeleid van het Latijnse convolvere = zich ergens omheen winden, of convolvo = ik wind in het rond. Dit slaat op het winden van de stengel om andere planten.
Arvensis: wil zeggen op de akkers groeiend, hiermee is tevens, gezien het bovenstaande, de naam akkerwinde verklaard.
Akkerwinde: het eerste gedeelte van de Nederlandse naam verwijst naar de plaats waar de plant groeit namelijk akkers. Het tweede gedeelte winde slaat op de groeiwijze, zich ergens omheen winden.

H. Kleijn (1970), Planten en hun naam: Een botanisch lexicon voor de Lage Landen, Amsterdam

Convólvulus | Convólvulus arvénsis: Akkerwinde
De geslachtsnaam Convolvulus is afgeleid van het Latijnse convolvere: zich ergens omheen winden, of van convolvo: ik wind in het rond. Dit duidt op het winden van de stengel om andere planten.
Arvensis wil zeggen op de akkers groeiend, hiermede is tevens, gezien het bovenstaande, de naam Akkerwinde verklaard. Vele andere volksnamen wijzen eveneens op dit windende of klimmende karakter van de plant. We laten hieronder de namen volgen zonder de streek aan te geven waar de plant zo genoemd wordt: Aardwinde, omdat ze zich vooral over de bodem slingert; Kleine winde (bij Dodonaeus) als tegenhanger van de Grote winde, ook Haagwinde genoemd (Calystégia sépium). Verder Klimmer, Majewinde, Rondranke, Slingerroos (roos hier in de betekenis van bloem), Veldwinde, Wind, Winde, Windom, Windsel, Wing, Wijlde klimmer en Wijnsel. De naam Klokjeswinde wijst niet alleen op het winden maar tevens op de klokvormige bloemen. Een oude naam was hiermede in overeenstemming en men sprak van Klokskens. In de Achterhoek en elders spreekt men van Pispotje, dat overduidelijk op de bloemvorm duidt, en wel op een humoristische manier. Hetzelfde kan gezegd worden van Parapluitje uit de Duinstreek, maar dan moet men de bloem op dezelfde wijze als bij Klokjeswinde (hangend) bezien.
De naam Bewinde op Schouwen, Noord-Beveland, Zuid-Beveland en Overflakkee voor Windesoorten in het algemeen, is zo goed als zeker afkomstig van het Oudnederlandse woord bewinden, dat omwinden of inwikkelen beduidt. Voor de Akkerwinde vinden we de naam Bewinde alleen opgegeven voor Overflakkee. Men wil dit bewinde ook zien als een verbastering van Winde.
Dr. H. Uittien schrijft in zijn artikel De Nederlandsche volksnamen van Convolvulus (Eigen volk 1934), onder meer: ‘Ik denk hierbij aan de Achterhoekse namen Beerbente, Beerbinde, Wierwinde, de in Zeeland algemene vorm Bewinde, het Zuid-Limburgse en N.O. Luikse Berwin en het Engelse Bearbind met al zijn varianten. Behalve Wierwinde wil ik al deze vormen in verband brengen en als resten beschouwen van een eenmaal groot areaal van het woord Beerbinde, dat gerstbinder zal moeten beteekenen. Hieraan kunnen we nog toevoegen, dat in Engeland ook nog voorkomen de namen Bindweed en Cornbind.’
Voor de Betuwe vonden we bij Van Hall opgegeven de namen Liend en Lijn. Hier moet volgens ons gedacht worden aan het Oudnederlandse werkwoord lenen, dat leunen of steunen beduidt. Of het Lijn opgevat moet worden in de betekenis van touw of koord, in verband met de koordachtige, lange stengels, willen we betwijfelen. Het is waarschijnlijk een verbastering van Liene of Liend en misschien van lenen.
Dat het een lastig onkruid is, kunnen we opmaken uit de naam Kankerbloem in Waterland. Hier wil kanker niet zeggen, dat men deze gevreesde ziekte er mee kon genezen, of kan krijgen indien men ermee in aanraking is gekomen, maar dat het als een grote plaag voor de landbouwer werd beschouwd. De plant kan zich behalve door zaad ook op vegetatieve wijze vermeerderen. Ook in andere landen was men niet op de Akkerwinde gesteld, hetgeen eveneens uit de volksnamen blijkt, want de Franse, Duitse en Engelse benamingen waren respectievelijk: Boyaux du diable, Teufelsdarm en Devil’s guts, hetgeen wil zeggen Duivels-darmen. Een andere Engelse naam, die eveneens op het niet geliefd zijn attendeert, is Devil’s Garter of wel Duivelskouseband.
De naam Wrange, die we bij Dodonaeus tegenkomen, moeten we hier zien als te zijn afgeleid van het Oudnederlandse woord Wranc: wringen, of van wrangen in de betekenis van worstelen. Het Duits kent het werkwoord wrangeln dat wringen of worstelen beduidt. In het Land van Hulst komt de naam Strek voor en die is op te vatten - onder invloed van het nabije Belgische Vlaanderen -als een vorm van strik. Deze naam wijst eveneens op het windende karakter (lussen maken) van dit onkruid. De naam Draai kwam vroeger ook voor, maar schijnt in het vergeetboek te zijn geraakt.
In Humsterland spreekt men van Blindebloem, hetgeen wel zal duiden op het bijgeloof, dat degene die met de bloem in de hand zou vallen, blind zou worden. Het kan ook zijn dat men de kinderen bang wilde maken door te zeggen, de bloem niet te plukken, omdat men anders blind zou worden; dus om op deze manier de kinderen te weerhouden het bouwland te betreden en het gewas te vernielen. Ook vertelde men de kinderen dat zij de bloemen niet mochten plukken, omdat zij anders in hun bed zouden plassen. Reeds Dioscorides raadde aan de bladeren als purgeermiddel te gebruiken. Het sap uit de bladeren werd later voor dit doel aangewend, zoals we bij Matthiolus in zijn Neu Kreuterbuch van 1563 vermeld vinden. Later werd dit middel verdrongen door het sap van de Jalappe (Ipomoéa púrga), een Mexicaanse plant, die eveneens tot de familie der Windeachtigen behoort. In de homeopathie gebruikt men nog een essence bereid uit de verse akkerwinde. P. Nylandt (1682) gaf de lijders aan graveel de raad, om van dit euvel bevrijd te raken, een bad te nemen in water waarin bladeren van de plant waren gestrooid. Ook trok men van de bladeren een soort thee die geschikt was om het bloed te zuiveren. Over het ontstaan van deze soort was het volgende sprookje in omloop: de schone fee Fiorina gaf eens een groot feest, waarop zij allerlei feeën en andere verwante geesten had uitgenodigd. Toen alle gasten gezeten waren, bemerkte zij dat het bedienende personeel vergeten had de wijnglazen neer te zetten. Zij zeide toen tot haar genodigden: ‘Wie mij binnen het kwartier de beste drinkbekers levert, ontvangt van mij de krans die ik op mijn hoofd draag en een kus.’ De aanwezigen gingen op stap. Na enige minuten waren zij weer terug en reikten Fiorina de door hen gekozen drinkglazen over. De geest van de wateren gaf mosselschelpen, die van de zee gaf nautilusschelpen, de gnomen brachten bekers uit goud en edelstenen, en de bloemnimfen geurige bloemkelken. Toen kwam Amor, die eveneens was uitgenodigd, met prachtige, in alle kleuren van de regenboog glinsterende stukken van het avondrood. Hij vormde daaruit mooie en iriserende kelken. Toen hij de glazen op tafel had gezet, riepen alle aanwezigen: ‘Amor heeft gewonnen’. De gastvrouw gaf hem dan ook zijn verdiende loon. Later toen de gasten naar huis gingen, hingen zij de glazen aan slingerplanten. Dat zijn toen de bloemen van de Windesoorten geworden.
Omdat bij regen de bloem gesloten blijft, redeneerde de landelijke bevolking juist in omgekeerde richting: ‘als de bloem gesloten is dan krijgen we regen en is de bloem open dan komt er zonneschijn.’ Men ging zelfs zover bij grote droogte de bloemstelen om te buigen opdat de bloemen gesloten zouden blijven: men hoopte op deze manier de regen te kunnen aantrekken.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut