Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

akkerleeuwenbek - (Antirrhinum orontium)

Thematische woordenboeken

W. Deconinck (2019), Plantennamen nader toegelicht, Kortrijk.

leeuwenbek
Vlasbekje | Linaria vulgaris Mill.
Muurleeuwenbek | Cymbalaria muralis P. Gaertn., B Mey. et Scherb.
Kleine leeuwenbek | Chaenorhinum minus (L.) Lange
Akkerleeuwenbek | Misopates orontium (L.) Rafin

Het Vlasbekje heette vroeger Vlasleeuwenbek en dat verklaart het woord bek in de huidige naam. Immers, als je de zijkanten van de bloem samenknijpt, open je als het ware de bek of muil van een leeuw. Het woord vlas in de naam verwijst naar de bladeren die lijken op die van de vlasplant. Waarom de vroegere, mooie naam Vlasleeuwenbek met verlies van betekenis veranderd werd in Vlasbekje is een raadsel.

De geopende bloemen van Muurleeuwenbek doen ook met enige verbeelding denken aan de muil van een leeuw, vandaar leeuwenbek in de naam. De bloemen hebben dezelfde bouw als die van het Vlasbekje (Linaria vulgaris L.). Voor Vlasbekje heeft men in de naam het woord leeuw laten vallen, bij Muurleeuwenbek niet. De bloemen van de Muurleeuwenbek zijn wel kleiner en het is moeilijker om ze te doen “gapen”, zoals dit bij Vlasbekje makkelijk gaat. Muurleeuwenbek is een plant die zich met de wortels vastzet in de voegen van muren en rotsen en daarmee verdient de plant terecht de naam van Muurleeuwenbek.

Ook bij de Kleine leeuwenbek zijn de bloemen gebouwd zoals bij het Vlasbekje en de bladeren zijn ook zoals bij het Vlasbekje lancetvormig. De plant droeg vroeger trouwens de Latijnse soortnaam Linaria minor Desf. en behoort dus net als Vlasbekje en Muurleeuwenbek ook tot de familie van de Helmkruidachtigen (Scrophulariaceae). De hele plant geeft een wat ijle indruk en wordt zeker niet zo groot als het Vlasbekje, vandaar klein in de naam. Ook de Akkerleeuwenbek behoort tot de familie van de Helmkruidachtigen. De plant heette vroeger Antirrhinum orontium L. en de kleine, tweelippige bloemen lijken op de grotere bloemen van de gekweekte sierplant Grote leeuwenbek (Antirrhinum majus L.). De plant komt voor in akkers en moestuinen en vandaar Akkerleeuwenbek.

H. Kleijn (1970), Planten en hun naam: Een botanisch lexicon voor de Lage Landen, Amsterdam

Antirrhínum | Antirrhínum oróntium: Akkerleeuwebek
Aangezien dr. C.A.J.A. Oudemans uitvoerig op de naamverklaring van dit geslacht is ingegaan, doen we het beste hem aan het woord te laten.
‘Antirrhinum, Grieksch antirrhinon, samengesteld uit anti: tegen, en rhis, rhinos, neus. Oogenschijnlijk valt het moeilijk in te zien, hoe nu de vertaling van den geslachtsnaam zou moeten luiden, daar die van “Leeuwebek” niets met “Antirrhinum” te maken heeft. De poging om daartoe te geraken wordt echter zeer verlicht, als men weet, dat anti: in verbinding met andere woorden, onder andere te kennen geeft: “gelijkenis” met betrekking tot het woord dat er op volgt. Antirrhinum beteekent dus: “op een neus gelijkend” of, als men zich veroorlooft voor neus “gelaat” te lezen, “op een gelaat gelijkend”. En deze gelijkenis bestaat niet alleen, maar is uiterst sprekend, als men zich maar niet om de bloem bekommert, maar op de rijpe doosvrucht let. Deze bestaat namelijk uit twee, niet even groote helften, waarvan de eene (grootere) met twee schuins naar boven en naar elkander toe gekeerde smal-ovale ietwat kleinere openingen en de andere (kleinere) helft met ééne dwars- en breed-ovale, ietwat grootere opening openspringt. Even boven de dwarse, en onder, doch tusschen de beide cirkelronde openingen, bevindt zich daarenboven een vooruitspringend smal-kegelvormig, aan haar top af geknot staafje, dit is de achtergebleven en hard geworden stijlvoet. Neemt men nu die vrucht zoodanig tusschen duim en vinger dat de smal-ovale opening naar boven en de breed-ovale opening naar beneden gekeerd is, dan is hare gelijkenis met het skelet eens schedels volkomen. De ronde openingen gelijken op oogkassen, de stijlvoet op een neus, en de dwars-ovale opening op een opengespalkten mond of bek. Sommigen zien in dien schedel het skelet van een kalfskop, anderen weder een zeehond of een ander dier. Maar dit is van minder belang. De “neus”, het “gelaat”, het “maske” of hoe men het anders noemen wil, is gevonden, en moet in de vrucht en niet in de bloem gezocht worden. Ons “Leeuwebek” en het Duitsche “Löwenmaul” hebben op de bloemkroon betrekking, die men door een zijdelingsche drukking tusschen duim en vinger noodzaken kan zich wijd op te sperren, waardoor een soort van muil ontstaat, maar die zich weer sluit zodra de drukking ophoudt.’
De Latijnse soortnaam orontium, horontium, is de naam van een nog niet nader vastgestelde plant bij de Grieken. In de Gart der Gesundheit oder der kleine Hortus sanitatis van 1485 komt de naam Orant reeds voor deze plant voor. Akkerleeuwbek wijst op de groeiplaats; ook komt deze soort voor op bebouwde en onbebouwde zandgronden. In het noorden van ons land komt de plant bijna niet voor, terwijl hij in het zuidelijk deel veel algemener is.
Vanwege de roserode bloemen heette de plant ook Rood leeuwenbekje. De naam Orant of Cleyn orant in de oude kruidboeken is afkomstig - beter een verbastering - van het Latijnse orontium. De toevoeging cleyn beduidt dat er ook een Grote orant moet zijn. Dit is ook het geval en deze toevoeging slaat op de Leeuwebek (A. május). Majus: groot. Deze uit Zuid-Europa afkomstige plant is geen onbekende voor ons, want allerlei kweekvormen komen we in ons land in vele tuinen tegen.
Verwijzende naar hetgeen Oudemans ons reeds medegedeeld heeft, zijn de volgende namen voor ons geen raadsels meer: Apekop (bij Dodonaeus ook Caput simia of Sinmenhooft hetgeen hetzelfde beduidt), Hondskop, Kalfsbek, Kalfsmuil, Kalfsneus, Kalfssnuit, Gaperkens en Dodekop. Het is maar wat men erin wilde zien. Nylandt (1682) noemt de plant ‘Leeuwen-becken’, Kalfs-snuyte of Orant en schrijft verder: ‘de bloemen komen tusschen de bladeren te voorschijn, nalatende ronde zaetbollekens, eens Menschen Doots-hooft eenighsins gelijckende’. Volgens hem werd de plant in de geneeskunde niet gebruikt. Maar slaan we Dodonaeus (1608) op, dan vinden we het volgende: ‘Cleyn orant is machtigh om de geeligheyt des lichaems te doen vergaen ende te verdrijven, mede geelzucht.’

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut