Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

akker - (bouwland)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

akker zn. ‘bouwland’
Onl. ackar, accar in plaatsnamen: Euinaccar (< evene + akker) ‘onbekende lokatie in Oost-Vlaanderen’ [821-23; Gysseling 1960, 344], in agro qui uocatur Facheria accrum (datief mv.) ‘op de akker die Facheria accrum wordt genoemd’ [839; Gysseling/Koch]; mnl. acker ‘bouwland’.
Os., ohd. ackar ‘akker’ (nhd. Acker); ofri. ekker (nfri. eker, ikker); oe. æcer ‘akker’ (me. acer, aker; ne. acre ‘oppervlakte-eenheid’); on. akr; got. akrs; < pgm. *akra-. De West-Germaanse vormen kregen in bepaalde naamvallen verdubbeling van de -k- voor de -r-. De niet verdubbelde vorm verschijnt nog in plaatsnamen als Akersloot (Noord-Holland) en in ne. acre.
Verwant met Latijn ager ‘veld, district’; Grieks agrós ‘veld, land’; Sanskrit ájraḥ ‘vlakte’ < pie. *aǵro-s < *h2eǵro-s, wrsch. een afleiding bij de wortel *h2eǵ- ‘drijven’. Oorspr. zou het de plek aangeduid hebben waarheen het vee gedreven werd. Zie ook → ageren.
Lit.: Devos 1991, 73-117; M. Gysseling/A. Koch (1950) Diplomata Belgica ante annum millesimum centesimum scripta (= Bouwstoffen en Studiën voor de geschiedenis en de lexicografie van het Nederlands) Brussel, 141

EWN: akker zn. 'bouwland' (821-23)
ANTEDATERING: qui uocatur Culingahem accra 'die de akker bij Kolegem genoemd wordt' [768-814, kopie 941; ONW]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

akker* [stuk bouwland] {in de vroegere Oost-Vlaamse plaatsnaam Evinaccar <821-823>, acker 1210-1240} oudfries ekker, oudhoogduits ackar, oudnoors akr, gotisch akrs; buiten het germ. latijn ager [akker], grieks agros, oudindisch ajra-.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

akker [Aanvullingen De Tollenaere 1969]: de interpretatie van idg. *agro als ‘het omheinde veld’ (J. Trier) is, volgens E. Polomé, RBPhH 44, 107 [1966], onhoudbaar.

akker znw. m., mnl. acker, os. akkar, ohd. ackar, ofri. ekker (met verdubbeling van de k voor r) naast oe. æcre (ne. acre > fra. acre ‘landmaat’), on. akr, got. akrs. — lat. ager ‘veld, district’, gr. agrós ‘veld, land’, oi. ajra ‘vlakte’.

Gewoonlijk verbonden met *aĝ- ‘drijven’, vgl. lat. gr. agō ‘leiden, voeren’, oi. ajati, av. azaiti ‘drijven’, oiers ad-aig ‘drijft aan’, arm. acem ‘breng, leid’. Reichelt WS 12, 1929, 112-4 denkt aan een grondbetekenis ‘met zwaaiende armen aandrijven’ en dan wel de voor de ploeg gespannen dieren. — Maar deze betekenis past bij die van de idg. verwanten in het geheel niet; J. Trier, PBB 67, 1944, 126 verbindt daarom gr. ageírō ‘verzamelen’, agorá ‘markt’, agṓn ‘omtuinde kampplaats’ en denkt aan een bet. ‘het omheinde veld’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

akker znw., mnl. acker m. = ohd. ackar (nhd. acker), os. akkar, ofri. ekker m., alle met wgerm. verdubbeling van k onmiddellijk vóór r, verder ags. æcer (eng. acre, waaruit fr. acre “een landmaat”), on. akr, got. akrs m. “akker”. Germ. *akra-z = idg. *aĝro-s, lat. ager, gr. agrós “akker”, oi. ájra- met de ruimere bet. “vlakte”: vgl. ook gr. ágrios “wild” = oi. ajryà- “op de vlakte zijnd”. Hierbij ook arm. art “akker”? Wellicht een idg. afl. van *aĝô “ik drijf”: on. aka “rijden”, ier. ad-aig “adigit”, lat. ago “ik voer”, gr. ágō “ik drijf”, arm. acem “ik breng, voer”, oi. ájati “hij gaat, drijft”; maar reeds in de idg. periode had *aĝ-ro-s “drift” de bet. van “vlakte”, in sommige streken die van “akker” aangenomen. Vgl. voor een anderen wortel, die europ.-arm. landbouwtermen heeft opgeleverd, bij aard I.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

akker m., Mnl. acker, Os. accar + Ohd. acchar (Mhd. en Nhd. acker), Ags. æcern (Eng. acre), Ofri. ekker, On. akr (Zw. åker, De. ager), Go. akrs + Lat. ager, Gr. agrós = akker, Skr. ajras = vlakte, van den Idg. wrt. ag = drijven (verg. Lat. agere, Gr. ágein = drijven, handelen; in het Germ. bezit alleen het Skand. het ww.: On. aka, Zw. åka, De. age); dus = het veld waarheen men het vee dreef (Nhd. die trift, Ndl. Zwijndrecht): de beteekenis veranderde met de levenswijze der Idg., toen ze van herders landbouwers werden.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

2akker s.nw.
1. Stuk ploegland wat as een stuk geploeg word en tussen twee vore lê. 2. (dikw. in die verkleinw. akkertjie) (tuinbou) Kleinste afdeling waarin bewerkte tuingrond ingedeel is. 3. (verhewe) Stuk bouland. 4. Veld, aarde, wêreld.
Uit Ndl. akker (al Mnl.). Eerste optekening in vroeë Afr. op 31 Desember 1687 in die aanhaling "den akker en landbouw veragtende" (Resolusies van die Politieke Raad, C.19).
Ndl. akker hou verband met Latyn agere 'dryf', en het betekenisontwikkeling ondergaan van 'veld' na 'land waarop vee gedryf word' tot 'bouland'.
D. Acker, Eng. acre.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

ak’ker, Surinaam’se akker (de, -s), (verouderend) landmeetkundige vlaktemaat van 4294 m < S U P > 2 < / S U P >, d.i. 10 vierkante ketting*. De plantage* met de daarbij behorende gronden* beslaat een oppervlakte van plus minus 2500 hectare () waarvan 1000 akkers, ruim 400 h.a. beplant met vruchtdragende koffie (Waller 55). - Etym.: Oudste vindpl. plak. van 1669 (S&dS 26). Vgl. E acre = 40 x 4 poles = 4047 m 2; in de bet. van AN akker (stuk bouwland) komt E acre alleen nog voor in staande uitdr. en eigennamen (Onions). - Opm.: Officieel is deze maat in Sur. sedert 1874 buiten gebr.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

akker 'ploegland, bouwland'
Onl. ackar, accar, akre, mnl. acker 'ploegland, bouwland', ofri. ekker, os. ohd. ackar, oe. æcer, met verwanten in o.a. het Latijn, Grieks en Sanskriet. De West-Germaanse vormen kregen in bepaalde naamvallen verdubbeling van de -k- voor de -r-. De niet verdubbelde vorm verschijnt nog in → Akersloot en ne. acre.
Oudste attestaties in plaatsnamen: 1138-1139 agro (...) qui uocatur Smithacker (terrein in de omgeving van Gendringen)1, 1085 vervalst ca. 1200 Fronakre (→ Franeker)2, 1139-1150 vervalst? kopie 1670 Conradus de Vierackeren (→ Vierakker)3, ca. 1200? de Bersackere lees: Bergackere4, de agro dicitur Hubsaker5 en Sewinaker6, diverse terreinen in de omgeving van Gendt.
Lit. 1Künzel e.a. 1989 327, 2Idem 140, 3Idem 368, 4Idem 86, 5Idem 191, 6Idem 323.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Akker, in ’t Idg. agro-s (Gr. argos, Lat. ager), komt van den wortel ag, die drijven bet.; nog in ’t Lat. ago = ik drijf, ik handel. Alzoo is akker oorspr. de weide, waarheen men het vee dreef; later toen de Germ. volken zich ook aan den landbouw gingen wijden, kreeg akker de bet. van bouwland.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

akker ‘stuk bouwland’ -> Noord-Sotho akere ‘stuk bouwland’ ; Tswana akere ‘stuk bouwland’ ; Zuid-Sotho akere ‘stuk bouwland’ ; Singalees akkara-ya ‘bepaalde hoeveelheid land’; Chinees dialect ka ‘oppervlaktemaat’; Negerhollands akker ‘stuk bouwland’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

akker* stuk bouwland 0821-823 [Claes]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

963. Horendrager.

Zoo werd (wordt?) hij genoemd, wiens vrouw ontrouw is; iemand, die zijn akker door een ander laat ploegen. Artemidorus, een Grieksch schrijver uit de tweede eeuw na Chr., gebruikt reeds de uitdr. iemand horens opzetten in den zin van ontrouw zijn, gezegd van de vrouw tegenover den man, nl. in Lib. II, 11: οτι η γυνη σου πορνευσι και το λεγομενον κερατα αυτω ποιησει. Door de Romaansche talen heen schijnt de uitdr. de Germaansche te zijn binnengedrongen; de oorsprong van het gebruik om den bedrogen echtgenoot horens op te zetten of hem een horendrager, vroeger ook een koekoek, te noemen, is tot nu toe onbekendVgl. Wundt, Völkerpsychologie I, 199; J. Bolte in Zeitschrift des Vereins für Volkskunde XIX, bl. 63-82; De Cock2, 236-237; ook 294; Delbrück, Grundfragen der Sprachforschung, 60: Die an den Kopf gelegte, in Form eines Homes gebrachte Hand soll zunächst das Bild eines Stieres nachrufen und damit die Vorstellung der Stärke, woran sich u.a. der Gedanke der moralischen Härte anschlieszt, dann aber auch, wie anderswo, der Gedanke der ehelichen Untreue.. Vgl. het fr. mettre, planter des cornes à quelqu'un; décorer le front de quelqu'un; en van den bedrogen echtgenoot: porter la cornette; - des cornes; avoir des cornes, avoir du bois sur la tête; cornard; confrère de la lune; mari dindon; de ital. uitdr. avere le corna; far le corna, porre le corna, cornaro en cornuto; het eng. he wears horns; to horn, hornify, to bestow a pair of horns upon one's husband; to cornute; cornuto (bedrogen echtgenoot), cornutor (de bedrieger); hd. einem Hörner aufsetzen; Hörner tragen; Hörnertrager; ein Geweih tragen. Zie een belangrijk opstel hierover in Taal en Letteren IV, 177-186; 203-216; Ndl. Wdb. VI, 1091; Germania XXIX, 59 vlgg. en Suringar, Erasmus, XLVIII. (Aanv.) Vgl. nog Nyrop, Gramm. Hist. IV, § 417.

2527. Gods water over Gods akker laten loopen,

d.w.z. de zaken haren wereldschen gang laten gaan, zich niet om 's werelds loop bekommeren. Op de oudste plaats, Campen, 107, waar de uitdr. voorkomt, luidt deze zegswijze: hy laet Godts water over Godts land gaen, in welken vorm wij ze ook aantreffen bij Brederoo, Symen s. Soeticheit, vs. 211: Mijn leyter gants niet aen, ick laet Gods water over Godts acker gaen; Winschooten, 348: Gods waater laaten gaan oover Gods akker; fioolen laaten sorgen: sig nergens meede bekommeren; vgl. verder Sewel, 940; Halma 768; Waasch Idiot. 260. In Limb. Gods water over Gods leem laten loopen (Welters, 89). Ook in den vorm eener vermaning bij Spieghel, 299: laat Goods water over Goods akker gaan, dat wellicht beteekent: maak u niet noodeloos bezorgd, laat het aan God overVgl. eene plaats uit Huygens, Hofwijck vs. 827: Ick sien het sorgeloos en op sijn Hofwycks aen, // En laet Gods weer en wind Gods acker over gaen; dat te vergelijken is met het fri. hy lit Gods wyn oer Gods lân waeije, en waar de beteekenis zijn kan: ik laat alles aan God over, in welken zin de zegswijze ook in het Duitsch voorkomt..Dat deze gunstige bet. de oudste is, is niet waarschijnlijk; tenminste bij Campen komt ze voor in den hedendaagschen ongunstigen zin, zooals uit de plaatsing aldaar blijkt. Reeds vroeg komt naast het wkw. ‘gaan’ ook ‘loopen’ voor; zie Sart. III, 9, 41: Godts water over Godts acker laten loopen, violen laten sorgen, hoc est, animo otioso, securo, vacuoque esse; V. Beverwyck, Schat d. Ges. 23 a; Brederoo I, 250; C. Wildsch. III, 72; Adagia, 27: Godts water over godts bodem laeten vaeren, in utramvis aurem dormireDeze zegswijze op beide ooren slapen is ook in het Ndl. bekend; vgl. Huygens, Hofwijck, 2575 en Handelsblad, 5 Maart 1915 (ochtendbl.) p. 5 k. 3: Schiller heeft het reeds gezegd, dat in die dagen de Duitschers op beide ooren sliepen; De Telegraaf, 15 Jan. 1915 (avondbl.) p. 2 k. 6: Daarentegen kunnen de ambtenaars, die met afzetting zijn bedreigd of reeds hun ontslag gekregen hebben, omdat zij niet willen komen werken voor de Duitschers, gerust op hun beide ooren slapen; Antw. Idiot. 889: op allebei zijn ooren slapen, ergens gerust in zijn; fr. dormir sur les deux oreilles; hd. auf beiden Ohren schlafen.; Br. v. Abr. Bl. I, 86; Ndl. Wdb. V. 216-217; Archief IV, 339-341; Harreb. I, 12 b; Heyermans, Ghetto, 89: Jij laat God's water over God's akker loopen - en, en as 't te laat is maakje lawaai; Handelsblad, 1 Maart 1914 p. 1 k. 4: Hij (de Albaniër) zit voor zijn huis en rookt zijn tsjiboek. En laat verder Gods water over Gods land loopen; afrik. hij laat maar Gods water oor Gods akker loop. De oorspr. bet. is volgens Tuinman I, 172 en het Ndl. Wdb. II1, 18: het water over het land laten loopen, zonder moeite te doen om het ‘bij overstrooming door dijken of dammen te keeren’, eene meening, die steun vindt in de door Schuerm. Bijv. 102 b, 't Daghet XII, 112 en Antw. Idiot. 1420 vermelde uitdr. Gods water over Gods dijk laten loopen. Voor het Nederduitsch zie Taalgids IV, 270; Woeste, 317 a; Eckart, 167; vgl. fr. laisser couler l'eau; hd. Gottes Wasser über Gottes Land laufen lassen.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut