Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

aker - (eikel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

aker 1 zn. ‘eikel’
Mnl. aecker ‘eikel’ [1317; MNW].
Mnd. ecker(en), acker(en) ‘eikel’; mhd. ackeran, eckern ‘eikel, beukennoot’ (nhd. Ecker, meestal Buchecker ‘beukennoot’); nfri. aker ‘eikel’; oe. æcern ‘eikel, noot’ (ne. acorn ‘eikel’); on. akarn ‘vrucht van wilde bomen’; got. akran ‘vrucht’; < pgm. *akrana-, *akarna- ‘(boom)vrucht’.
Wrsch. te verbinden met: Oudkerkslavisch agoda ‘vrucht, bes’ (Russisch jagoda, Tsjechisch jahoda ‘aardbei’); Litouws úoga ‘bes, kers’; Oudiers āirne ‘besvrucht’; bij de wortel pie. *heg- ‘groeien’ (IEW 773). Zie ook → aak 2.
Dit in de standaaardtaal weinig meer gebruikte woord is in het Afrikaans terechtgekomen als akker ‘eikel’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

aker1* [eikel] {1261} verwant met middelhoogduits ackeran, ecker(n) [eikel, beukennoot], oudengels æcren, æcer [eikel], oudnoors akarn [vrucht van wilde bomen], gotisch akran [vrucht]; verwantschap met niet-germ. woorden is onzeker.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

aker 2 znw. m., ‘eikel, eikelvormig voorwerp’, mnl. aker ‘eikel’. — De eigenlijke bet. is ‘boomvrucht’, vgl. mnd. ecker(en), acker(en) ‘eikel’, mhd. ackeran, eckern ‘eikel, beukenoot’, oe. æcren, æceru ‘eikel’, on. akarn ‘vrucht van wilde bomen’, got. akran ‘vrucht’.

Etymologieën: 1. vgl. gr. ágrios, lat. agrestis ‘wild’. — 2. osl. jagoda ‘vrucht’, lit. ũgis, ũgys ‘jaargroei’, uoga ‘bes, kers’, lett. uoga ‘bes’, oiers airne (< *agrīni̭a) ‘sleepruim’(Lidén, IF 18, 1906, 503-6). — Het woord aker komt voor in Noord- en Zuid-Holland.

aker 2 [Aanvullingen De Tollenaere 1969]: zie E. Polomé, RBPhH 44, 107 [1966].

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

aker II (eikel, eikelvormig voorwerp, mnl. (noordndl.) āker (m.?) “eikel”, oorspr. “(boom)vrucht”. = mhd. ackeran o. (m.), ecker(n) o. (nhd. ecker v.) “eikel, beukenoot”, mnd. ecker(en), acker(en) o. “eikel” (voor ck vgl. akker), ags. æcren, æcern o. “id.” (eng. acorn), on. akarn o. “vrucht van wilde boomen”, got. akran o. “vrucht”, uit germ. *akrana-; de vormen met umlaut òf uit *akrena- òf door secundaire ontwikkeling. Buiten ’t Germ. zijn verwant: kymr. aeron “vruchten, boomvruchten”, ier. âirne “sleepruim”. Al deze woorden kunnen met obg. agoda, jagoda “vrucht” (alg.-slav. “besvrucht”), vinjaga “wijnstok”, russ. jáglyj “vruchtbaar”, lit. ̇úga “bes, kers” (in dit geval van lat. ûva “druif” te scheiden), arm. ačem “ik groei” verwant zijn. Minder wsch. is verwantschap der germ. en kelt. woorden met akker: idg. *aĝro-no- zou dan een denominatieve afl. zijn. Heel twijfelachtig is de combinatie van gr. ág-līthes “knoflookknollen” met germ. *akrana- en verwanten. Vgl. aak II.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

aker II (eikel, eikelvormig voorwerp). Bij de in dit art. genoemde kelt. slav. arm. woorden voegt Lidén Stud. z. toch. Sprgesch. I, 34 nog toch. B. oko ‘vrucht’ (in overdr. bet.: ‘vrucht van een handeling’).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

aker 2 m. (eikel), Mnl. aker + Mhd. ackeran = eikel, beukenoot (Nhd. ecker), Ags æcern (Eng. acorn), On. akarn, Go. akran = boomvrucht + Arm. ačem = ik groei, We. aeron = boomvruchten, Obulg. agoda = vrucht; het woord moest dus akeren zijn, maar wellicht zag men -en als meervoudsuitgang aan en vormde het enk. aker.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

akker s.nw.
1. Eik. 2. Vrug van die eik.
Uit Ndl. aker (Mnl. acker, akker), gewestelik in die bet. 'eik', wat as dialekvorm tot N.- en S.Holland beperk is (Kloeke 1950). Volgens Pannevis (1880), Mansvelt (1884) en Du Toit (1908) is akker bekend, maar eikel nie. Volgens Pannevis (1880) is daar 'n sterk neiging in Afr. om oop en geslote lettergrepe in uitspraak te verwissel, vandaar akker teenoor Ndl. aker.

akkerboom s.nw.
Eik.
Uit Ndl. akerboom (al Mnl.), sedert die 17de eeu 'n verouderde benaming vir die eikeboom, wat veral in die Middeleeue gebruiklik was (vgl. Die Bybel van 1477). Deur Kiliaan aangedui as 'n Hollandse woord wat as gewestelike benaming in W.Friesland en S.Holland behou is (Scholtz 1972). Eerste optekening in vroeë Afr. in 1765 (Scholtz 1972).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetensckap en Kuns

akker II: “vrug v. akkerboom/eik, eikel”; Ndl. aker (ouer en dial. ook akel, Mnl. aker), Eng. acorn, Hd. ecker, Got. akran, “vrug”, verb. m. Gr. en Lat. vorme twyfelagtig; oordr. “kop v. penis”; wat Ndl. betref, is dit veral N- en SHoll. (WNT/Supp I 847 en Kloe HGA 170 en kaart 171).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut