Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

air - (wijsje, deuntje)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

air 1 zn. ‘wijsje, deuntje’
Vnnl. airen (mv.) ‘liedjes’ [ca. 1665; WNT].
Ontleend aan Frans air ‘wijsje, lied’ [1608] < Oudfrans air ‘lucht’ [1160] < Latijn āēr ‘luchtlaag, atmosfeer’ (< Grieks āḗr- bij het werkwoord āḯein, āẽnai ‘blazen’), van onduidelijke verdere herkomst.
Bij de Grieken stond air ‘atmosfeer, onderste luchtlaag’ in oppositie met aithḗr ‘bovenlucht, hemel’ (zie → ether). De betekenis ‘nabije luchtlaag’ ontwikkelde zich via ‘persoonlijke atmosfeer, uitstraling’ naar ‘voorkomen, houding’, waarvoor zie → air 2. De muzikale betekenis kan men vergelijken met de ontwikkeling van het zn.wijs 1 van ‘manier’ naar ‘melodie’. Daarbij is het Franse woord beïnvloed door Italiaans aere (tegenwoordig → aria) ‘lied’, dat dezelfde ontwikkeling heeft ondergaan.
air- voorv. ‘lucht-’; in samenstellingen als air-hostess [1939; Kramers II] (inmiddels vervangen door stewardess, zie → steward), air conditioner [1936; Vliegwereld 2, 374] (nu verouderd), air-conditioning [1939; Kramers II], airbus ‘bepaald type vliegtuig’ [1975; Reinsma 1975]. Meestal ontleend aan het Engels, waar de betekenis ‘lucht’ nog bestaat naast die van ‘wijsje’ en ‘houding’.

air 2 zn. ‘houding’
Vnnl. Gy hebt het air daar van [1694; WNT], zich een air geven ‘aanmatigend, pedant optreden’ [1733; WNT], het air aannemen ‘doen alsof’ [1894; WNT], meestal met de implicatie van een hooghartige houding.
Ontleend aan Frans air ‘uiterlijke verschijning’ [1608], zie verder → air 1.

EWN: air 1 zn. ‘wijsje, deuntje’ (ca. 1665)
ANTEDATERING: airkens 'liedjes' [ca. 1553; iWNT appeel]
EWN: ♦ air- voorv. 'lucht-' (1936)
ANTEDATERING: "air conditioning" of kunstmatig afgekoelde lucht [1933; Vaderland 28/6]
Later ook: air-hostess [1935; Vaderland 25/5] (EWN: 1939); de airbus [1968; LC 22/5] (EWN: 1975)
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

EWN: air 2 zn. ‘houding’ (1694)
ANTEDATERING: 't air van welsprekentheid 'het vertoon van welsprekendheid' [1685; Molière, 10]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

air [houding] {1694} < frans air [lucht, klimaat, uiterlijk, houding, lied] < latijn aër [lucht, klimaat] < grieks aèr [lucht].

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

air s.nw.
1. (musiek) Lied, melodie, aria. 2. Skynbaar vername, deftige houding of voorkoms.
Uit Ndl. air (ongeveer 1665 in bet. 1, 1694 in bet. 2).
Ndl. air in bet. 1 uit Fr. air 'wysie, lied' en in bet. 2 uit Fr. air 'uiterlike verskyning'.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetensckap en Kuns

air: dikw. in mv. airs, “aanstellerigheid; houding, voorkoms”; wsk. uit Eng. (hoewel ook in Ndl.) air, “houding” (in Eng. ook “lug”) uit Fr. air uit Lat. aer, Gr. aêr, “lug”, ontw. v. bet. wsk. uit dié v. “lug” – “atmosfeer”.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

air (Frans air); (zich een -- geven) (Frans se donner un air)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

air houding 1694 [WNT Suppl] <Frans

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

66. Zich airs geven,

ook wel zich een air geven; 18de eeuw in C. Wildsch. III, 306: Gij geeft u dunkt mij vrij wat airs. Evenzoo bij Van Effen. Een vertaling van de fr. uitdr. se donner des airs ou de grands airs, d.w.z. zich gemaakt aanstellen, zich laten dunken. Eveneens is bekend zich het air geven van iemand, het voorkomen van iemand aannemen; vgl. fr. se donner un air; hd. sich ein Air geben; eng. to give oneself airs.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut