Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

aids - (ziekte van het afweersysteem)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

aids zn. ‘ziekte van het afweersysteem’
Nnl. AIDS [1983; Danner/Coutinho] met al spoedig de overgang van acroniem via eigennaam Aids [1986; Koenen] naar zn. aids [1990; Kramers III]. In samenstellingen aidspatiënt [1992; Dale], aidsvirus [1992; Dale].
Ontleend aan Amerikaans-Engels AIDS [1982; OED], een afkorting/letterwoord voor Acquired Immune Deficiency Syndrome ‘verworven immuniteitstekort-syndroom’ (tegenwoordig in Amerikaanse teksten gespeld als acquired immuno-deficiency syndrome).
Deze tot dan toe onbekende virusziekte werd voor het eerst in 1981 in Amerika beschreven. In 1982 werd het letterwoord AIDS gelanceerd om de toen gehandhaafde werknaam GRID, eveneens een acroniem (voor Gay Related Immune Deficiency ‘immuniteitstekort bij homo's’), te vervangen nadat gebleken was dat de ziekte niet alleen in homoseksuele maar in alle maatschappelijke kringen voorkomt. WL 1995 beschouwt het eerste lid in aids-patiënt, aids-virus etc. nog als afkorting en schrijft daarom een koppelteken. De gezaghebbende woordenboeken schrijven zulke samenstellingen vanaf de jaren 1990 aan elkaar wat erop wijst dat de overgang van afkorting naar volwaardig zn. in het Nederlands toen al was afgesloten.
Lit.: S. Danner/R. Coutinho (1983) ‘Het verworven immunodeficiëntiesyndroom (AIDS)’, in: Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde 127, 830-832

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

aids [ziekte] {1983} < engels aids, letterwoord uit Acquired Immune Deficiency Syndrome.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

aids (Engels aids)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

aids. De ziekte waarbij het natuurlijk afweersysteem van het lichaam steeds slechter functioneert, korter benoemd met aids, bedreigt momenteel hele continenten. In een moment van machteloze woede of verontwaardiging iemand of zichzelf krijg de aids! toewensen, is, volgens het huidige normenpatroon, ontluisterend grof. En juist dat gegeven maakt duidelijk hoe afschuwelijk en afschrikwekkend de verwensing in haar meest letterlijke betekenis is. Niet beperkt tot de Randstad, ook opgegeven door een correspondent uit Leuven. Een zegsman uit Hengelo breidt de vloek zelfs uit tot krijg aids van je vader! En in Amsterdam schijnt krijg een aidsbult! voor te komen. Zie Sanders en Tempelaars (1998). → vergassen.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

aids [ziekte, ‘acquired immune deficiency syndrome’] (1983). Riemer Reinsma vermeldt in zijn Neologismen. Nieuwe woorden in de Nederlandse taal uit 1984 voor 1983 de nieuwe woorden aids, fitness, graffiti, implementeren, mensjaar en talkshow.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

aids ziekte 1983 [R84] <Engels

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

aids (← Eng.; acron. van acquired immune deficiency syndrome ‘syndroom van verworven immuniteitszwakte’), ziekte, veroorzaakt door een virus, waarbij het immuniteitssysteem wordt aangetast en het slachtoffer verzwakt. Er kunnen infecties optreden met meestal de dood als gevolg. Besmetting wordt overgedragen via bloed of seksueel contact. In 1979 voor het eerst beschreven. De eerste Nederlandse aidspatiënt, een homoseksuele man, werd in 1982 gesignaleerd. Naast homoseksuele mannen kregen ook hemofiliepatiënten, die vanwege hun bloederziekte veel bloedtransfusies nodig hebben, aids. Drugsgebruikers die elkaars naalden gebruikten werden eveneens ziek. → hiv*.

De geschiedenis van AIDS begint eigenlijk met een bericht van enkele pagina’s in het ‘Morbidity and Mortality Weekly Report’ (‘Wekelijkse ziekte- en sterfteberichten’) van 5 juni 1981, uitgegeven door de Amerikaanse Gezondheidsdienst. In telegramstijl werd de ziektegeschiedenis van vijf mensen weergegeven. Deze vijf personen uit de Amerikaanse stad Los Angeles waren schijnbaar zonder enige reden in vrij korte tijd levensgevaarlijk ziek geworden. Deze publikatie vormde het eerste bericht over een nieuwe epidemie, die AIDS werd genoemd en die wegens haar bedreigende karakter, haar vooralsnog onduidelijke oorzaken en het ontbreken van een effectieve remedie grote onrust zou veroorzaken — hoe gering het aantal slachtoffers in het begin ook was. (dr. M.P.A.M. de Grood en dr. G.T. Haneveld: Aids. Feiten en achtergronden, 1986)
In Nederland zijn momenteel ruim 200 AIDS-patiënten en hun aantal verdubbelt zich elke tien maanden. (Opzij, februari 1987)
Lange tijd werd ontkend dat het aids veroorzakende Hiv-virus de grenzen van de Sovjetunie zou zijn overschreden. (Mens en Wetenschap, nr. 2/1989)
Rond het onderwerp ‘AIDS in de Sovjetunie’ hangt al snel een wat cynisch sfeertje. (Natuur en Techniek, februari 1989)
Elk middel in de strijd tegen aids kan een stap zijn, ja zelfs een mijlpaal. (Het Parool, 14/04/90)
De combinatietherapie heeft ook tegenstanders. Onder anderen de Fransman Montaignier, de ontdekker van het aidsvirus, en de Amerikaan Gallo. (DS Magazine, 10/01/97)
Opeens leek daar, zo rond 1980, vanuit het niets het aidsvirus op te duiken. Eerst in de Verenigde Staten, later in Europa, Afrika en de rest van de wereld. (HP/De Tijd, 24/05/97)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut