Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

agrimonie - (Agrimonia eupatoria)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

agrimonie [rozengeslacht] {1250} < latijn agrimonia, foute spelling in een aantal handschriften van Plinius voor argemonia < grieks argemōnè [papaver, windroos], met uitgang -ōnè (misschien oorspr. uit het hebr., vgl. anemoon), van argemos [een witte vlek op het oog], waar deze plant een medicijn tegen zou zijn.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

aggermoon, avermone, avermoon, zn.: agrimonie, Agrimonia eupatoria. Aggermoon door metathesis; avermoon door wisseling g/v. Het WBD spelt hypercorrect havermoon.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

aggermone (A, ZV), zn. v.: agrimonie, Agrimonia eupatoria. Metathesis van agrimonie. Vnnl. agrimonie 'eupatorium, agrimonia' (Kiliaan). Lat agrimonia < argemonia < Gr. argémônè 'papaver, windroos', afl. van argemos 'witte vlek op het oog'.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

avermoenie (DB), avermoni(n)g (P), zn. m., lavermonje (DB), zn. v.: agrimonie, Agrimonia eupatoria. Wvl. avermonie vertoont g/ v-wisseling. Lavermonje met proclitisch toegevoegd lw. < Fr. l’aigremoine. Vroegnnl. agrimonie ‘eupatorium, involucrum maius, agrimonia’ (Kiliaan). Lat. agrimonia < argemonia < Gr. argémonè ‘papaver, windroos’, afl. van argemos ‘witte vlek op het oog’.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

akkermonie: – agrimonie – , pln. v. Agrimonia eupatoria, fam. Rosaceae; Ndl. agrimonie (en dial. wv., sedert 16e eeu), Eng. agrimony, naas Lat. agrimonia ook argemonia, Gr. argemonê, misk. verb. m. Hebr. argaman, “persrooi, purper”.

Thematische woordenboeken

W. Deconinck (2019), Plantennamen nader toegelicht, Kortrijk.

agrimonie
Gewone agrimonie | Agrimonia eupatoria L.

Deze plant heeft wegens haar geneeskracht vele honderden jaren lang dezelfde naam behouden. We ontmoeten Agrimonie in het Boec van Medicinen in Dietsche, een verzameling van medisch-farmaceutisch-botanische traktaten daterend uit de periode rond 1400, in Den Herbarius in Dyetsche, een kruidenboek dat dateert van rond 1500 en in het eerste Cruydeboeck van Rembert Dodoens, verschenen in 1554.

De Nederlandse naam is ongetwijfeld overgenomen van Agrimonia, de Latijnse naam van de plant. Over de etymologische verklaring van de naam is er geen eensgezindheid.

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

agrimonie (Latijn agrimonia)

H. Kleijn (1970), Planten en hun naam: Een botanisch lexicon voor de Lage Landen, Amsterdam

Agrimonia | Agrimónia eupatória: Agrimonie
De naam Agrimonia is af te leiden van het Griekse agros: veld of akker, en moné: woonplaats en wijst derhalve op de groeiplaats. Bij Hegi vinden we het volgende vermeld: Waarschijnlijk ontstaan uit het Griekse argemóne in het Latijn argemonia; de naam van een papaversoort bij Dioscorides en Plinius. De Agrimonie heette in de Oudheid hepatorios of eupatorios. Reeds Dioscorides wees op het feit dat de benaming van de plant niet juist was en vaak verwisseld werd. Een andere verklaring luidt dat de naam is afgeleid van het Griekse argema, een infektie aan het oog.
De Grieken noemden de plant die deze infektie kon genezen argemone, hetgeen werd tot agrimone.
Men neemt aan dat de soortnaam eupatoria afkomstig is van de Pontische koning Mithridates Eupator (132-64 v. Chr.) die de plant voor het eerst gebruikt zou hebben om leverziekten te genezen. Hij heeft vooral bekendheid gekregen vanwege zijn kennis van die kruiden en de aanplant ervan - die als tegengif konden dienen bij vergiftigingen. Dat de plant eertijds bekendheid genoot vanwege de geneeskrachtige werking bij slangebeten, kunnen we opmaken uit een door Drayton gemaakt vers waarin de volgende versregels voorkomen: ‘Next these here Egremony is, That helps the serpent’s biting.’ Of de Agrimonie werkelijk hielp bij beten van slangen is thans aan grote twijfel onderhevig.
Vanwege de gele kleur van de bloemen moest het kruid, ingevolge de sympathieleer, een goed middel zijn tegen leverkwalen en geelzucht. Hiervan getuigt de volksnaam Leverkruid, die op vele plaatsen in ons land aan deze plant wordt en werd gegeven. De naam Agrimonie is geen echte volksnaam, maar een overname van de Latijnse naam. In Zeeuws-Vlaanderen spreekt men ook van Aggermone, duidelijk een verbastering.
Behalve de reeds genoemde kwalen, werd de plant ook aangeprezen ter genezing van gal- en nierstenen; ook werd ze aangewend als koortsafdrijvend middel. Behalve het gedroogde kruid, in de apotheek indertijd bekend als Herba Agrimoniae, werden ook de schijnvruchten in wijn gekookt en dan gebruikt.
In een Pharmacopee van 1747 vinden we het volgende vermeld: ‘De bladeren worden geprezen bij krankzinnigheid en geelzucht. Daarenboven genezen de bladeren gebreken van de huid en verzweringen in de mond.’
Deze door de Grieken aan Pallas Athene gewijde plant was tot in de achttiende eeuw bekend als Lappula hepatica, hetgeen zoveel wil zeggen als Leverklis. Doordat de schijnvruchtjes van weerhaakjes (als bij de klis) voorzien zijn, hechten deze zich aan de vacht van dieren, waardoor de verspreiding van de zaden in de hand gewerkt wordt. Oude verdwenen volksnamen waren Omgekeerde klissen en Verkeerde klissen, omdat zij evenals de klissen aan dier en mens kunnen blijven hangen. Het ‘omgekeerde’ en ‘verkeerde’ slaat op het ‘hangen’ van de vruchtjes, in tegenstelling tot de klissen, waarvan de hoofdjes rechtop staan.
Het valt op dat dit vroeger zo bekende geneeskruid niet voorkomt in de ‘Capitulare de villis’ (ca. 795 n. Chr.) van Lodewijk de Vrome, een verordening bevattende een lijst van voedselgewassen en geneeskruiden, die in zijn domeingoederen moesten worden aangeplant. Daarentegen komen we de plant wel tegen in een leerdicht uit dezelfde tijd, genaamd ‘Hortulus’ van Walahfrid Strabo.
De plant in water gekookt geeft daaraan een groengele kleur en werd daarom vroeger gebruikt om leer en wol te kleuren.
Uit het neolitische tijdperk zijn bij de Zwitserse paalwoningen van Buchau am Federsee, Robenhausen en St. Blaisse de schijnvruchten gevonden en uit de bronstijd bij Zürich. Zouden we hieruit mogen opmaken dat de plant toen al voor een of ander doel gebruikt werd? Bij het kleuren van stoffen bijvoorbeeld? Magische krachten werden eveneens aan de plant toegeschreven. Wilde men ten gunste van zichzelf genegenheid bij de vrouwen aankweken, dan moest men op Goede Vrijdag het volgende doen:
‘Verbeen (ijzerkruid), Agrimonie, Madelgeer kruisblad-gentiaan op Goede Vrijdag graven.
Helpt u zeer dat de vrouwen u genegen worden,
Doch gebruik geen ijzer, graaf het met goud.’
Ook een antidiabolische kracht werd vroeger aan de plant toegekend, want werd zij met andere planten in huis of hof opgehangen, dan werden de heksen en ander gespuis verdreven of de toegang tot de behuizingen ontzegd. Een ander gebruik was, dat, wanneer men het kruid onder zijn hoofdkussen gelegd had, men niet eerder wakker werd, dan wanneer de plant weggenomen werd.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut