Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

agaat - (halfedelsteen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

agaat zn. ‘halfedelsteen’
Mnl. acaet [1285; CG II, Rijmb.], ac(h)aet, agaet, aget ‘barnsteen, agaat’ [1350-1400; MNW]; vnnl. agaat [1562; Kil.], agat [1567; Nomenclator]. De spelling met -ch- komt nog tot in de 17e eeuw voor.
Al dan niet via Oudfrans achate [12e eeuw; Rey], agathe [13e eeuw; Rey] (Nieuwfrans agate) ontleend aan middeleeuws Latijn achates < Grieks akhā́tēs. De verdere herkomst is onzeker. De op Plinius teruggaande opvatting, dat de steen naar een Siciliaanse rivier (Achates) zou zijn genoemd, is onwaarschijnlijk. Eerder betreft het een niet-Indo-Europees, mogelijk Semitisch woord. Een andere theorie zegt dat Grieks akhā́tēs een nevenvorm van gagátēs ‘git’ is, zie → git. Van die laatste vorm is ook de variant nnl. gagaat afgeleid. Deze theorie lijkt niet wrsch.; wel heeft vermenging van beide vormen plaatsgevonden.
Lit.: Lewy 1895, 56; Lüschen 1968, 167-168; Sanders 1995

EWN: agaat zn. ‘halfedelsteen’ (1285)
ANTEDATERING: onl. agat 'agaat' in Lapis nigellus (agaht) 'een zwarte steen (agaat)' [951-1000; ONW]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

agaat [kwartsgesteente] {achates 1201-1250} < frans agate < latijn achates < grieks achatès, nevenvorm van gagatès (vgl. git).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

agaat znw. o., < fra. agate < gr. lat. achates. Reeds Plinius vermeldt, dat de naam afkomstig is van de rivier Achates op Sicilië, waar hij het eerst gevonden zou zijn.

Uit het fra. agate zijn ook ontleend mnd. āget, ohd. agat (stein), ne. agate; sedert 1200 ontleent mhd. rechtstreeks uit het latijn achat (es). — De verklaring van Plinius kan een zijner willekeurige etymologieën zijn; men heeft ook afkomst uit het semietisch willen aannemen (H.Lewy, Semit. Fremdwörter 56).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

agaat znw. als stofnaam o. Evenals eng. agate, de. agat uit fr. agate en dit uit gr.-lat. achâtês. Volgens Plinius heet de steen naar de rivier Achates op Sicilië, waar hij ’t eerst gevonden werd. Mnl. achaet, acaet, achates m. komen direct uit het Lat., evenzoo mhd. achat(es) (nhd. achat) m.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

agaat. Men heeft het woord ook wel uit het Semit. willen verklaren: *H. Lewy Semit. Fremdw. 56, geciteerd bij Schrader-Nehring I, 211.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

agaat o., Mnl. achates en achaet, gelijk Mhd. achates, achat (Nhd. achat), Eng. agate, Fr. agate, uit Lat. achates, Gr. akhátēs, naar de rivier Achates in Sicilië, waar het eerst gevonden werd.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

aget, agit (G), laget (E, G, L), zn. o.: agaat (sic LC), git. Mnl. aget 'zwarte barnsteen, git', get, gagaet 'git', Vnnl. aghet 'du get' (Lambrecht), aghet, ghet 'gagates, gangitis', swert ghet (Kiliaan). Ofr. get, jayet, Fr. jais < Lat. gagates, Gr. gagatès, naar de afkomst uit Gagès, Gagas in Lycië. De anlaut-l in laget is secundair, wellicht aangevoeld als Frans lidwoord.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

agaat (Frans agate)

E. Sanders (1995), Geoniemenwoordenboek, Amsterdam

agaat (±1266, uit het Frans) zeer hard kiezel- of kwartsgesteente

In het voorjaar van 1787 maakte een Duitse koopman die zich Johann Philipp Möller noemde, een rondreis over Sicilië. Hij was buitengewoon nieuwsgierig en hield aantekening van alles wat hij zag. Op 28 april proefde hij letterlijk de vruchtbare grond waaruit het graan zo rijkelijk opschoot — ‘er zal weinig zand in zitten, hij knerst amper tussen de tanden’ — waarna hij een korte beschouwing over de geologische oorsprong van deze bodem nogal abrupt afsloot met de opmerking: ‘Een vermoeden omtrent de rivier de Achates zal morgen worden bevestigd.’
En de volgende dag? Geen woord. Maar hoewel Goethe — want dat was de ware naam van deze koopman — zijn Italienische Reise pas dertig jaar later te boek heeft gesteld en meteen daarop het oorspronkelijke reisdagboek heeft verbrand, valt toch wel te achterhalen welk vermoeden hij wilde bevestigen. Achates is namelijk de klassieke naam van het riviertje dat tegenwoordig gewoonlijk Dirillo (maar ook wel Acate) wordt genoemd en dat niet ver van het plaatsje Gela in het zuiden van Sicilië in de Middellandse Zee uitmondt. Wat ligt meer voor de hand dan dat Goethe, die de hele klassieke literatuur als reisgids voor Italië gebruikte, op 29 april 1787 de bevestiging heeft gezocht en gevonden van een mededeling van Plinius?
Deze had namelijk in 77 n.Chr. geschreven dat bij de Achates in Sicilië voor het eerst de stenen waren gevonden die in het Middelnederlands achates of achaet heetten, maar die we inmiddels kennen als agaat. In een ander hoofdstuk beschrijft Plinius trouwens nog een steen die naar een rivier is genoemd: het zwarte, gladde git, dat bij Gagas (of Gagai) in Lycië werd gedolven.
Het vreemde is dat die laatste verklaring in vrijwel alle etymologische woordenboeken zonder tegenwerping is overgenomen; maar dat de agaat zo heet naar de Siciliaanse rivier Achates, dáár mogen taalkundigen graag een kanttekening bij plaatsen. Zo zou het logischer zijn als het woord agaat van Oosterse oorsprong was, want daar komen veel namen van edelstenen vandaan, luidt één bedenking. Ook is geprobeerd de steennaam af te leiden van het Semitisch, maar een echt bevredigend alternatief voor Plinius’ verklaring is nog niet gevonden.
Overigens schreef Plinius dat agaten dan wel op Sicilië waren ontdekt, maar dat ze nadien nog op talloze andere plaatsen waren gevonden. ‘Voorheen stond de steen in hoog aanzien’, schrijft hij, ‘maar nu helemaal niet meer.’
Wat niet wegneemt dat de agaat volgens hem over bijzondere eigenschappen beschikte. Zo zouden agaten uitstekend helpen tegen schorpioenesteken. ‘Ik kan me goed voorstellen dat de stenen van Sicilië die eigenschap bezitten’, aldus Plinius, ‘want zodra een schorpioen de lucht van die streek inademt, verliest hij zijn gif.’ In Perzië zouden agaten gebruikt worden om stormen en orkanen tot bedaren te brengen en rivieren te keren. ‘Egaal gekleurde stenen maken een atleet onoverwinnelijk, zeggen ze’, aldus Plinius.
Zeker is dat egaal gekleurde agaten zeldzaam zijn, want het voornaamste kenmerk van deze siersteen is dat hij als een toverbal uit een groot aantal verschillend gekleurde laagjes is opgebouwd. Overigens zijn vrijwel alle geslepen agaten kunstmatig gekleurd. Hierbij wordt een techniek gebruikt die de Romeinen al kenden.
Eeuwenlang werden agaten vooral gevonden in Idar-Oberstein, ten oosten van Trier. Maar omstreeks 1800 raakte de voorraad daar uitgeput. Sinds 1827 komen de meeste agaten uit het zuiden van Brazilië en Uruguay. De stenen die daar worden opgegraven zijn uitzonderlijk groot: soms zelfs meters lang.
Agaat was lange tijd populair als halssierraad. Dit inspireerde Bilderdijk in 1781 tot de dichtregels:

O! ware ik u een halssieraad,
Of kostelijk kleinood, van jaspis of agaat:
Zo mogt ik ’t zachte albast van uwen boezem strelen,
En dartel om uw’ gorgel [= strot] spelen!

Niet minder belangrijk is dat er miljoenen knikkers uit agaat zijn gemaakt. De handel in agaat-knikkers bloeide in Oberstein al in de middeleeuwen. Omstreeks 1870 was er zoveel vraag naar, dat alleen daar al meer dan duizend mensen leefden van de knikkerindustrie.

Engels agate (1570); Duits Achat (±1200); Frans agate (13de eeuw).

AGAAT: Plinius (ed. Bostock & Riley, 1855-1857) Nat. Hist. XXXVII, 54; Bilderdijk Dichtw. 9 (1781) 424; Winkler Prins1 1 (1870) 226-229; WNT I (1882) 2061-2063; Franck & Wijk Etym. wdb. (19122) 11; WNT Suppl. I (1956) 815-817; Vries Ned. etym. wdb. (1971) 10; Kluge Etym. Wtb. d. deutschen Spr. (197521) 5; Vries & Tollenaere Etym. wdb. (199115) 59; Pfeifer Etym. Wtb. d. Deutschen (19932) 9; Dúdá & Rejl Gr. mineralen ency. (19945) 360; OED (19932).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

agaat ‘kwartsgesteente’ -> Zweeds agat ‘kwartsgesteente’ (uit Nederlands of Duits); Singalees † agasti, agatti ‘kwartsgesteente’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

agaat kwartsgesteente 1240 [Bern.] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal