Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

afzichtelijk - (zeer lelijk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

afzichtelijk bn. ‘zeer lelijk’
Nnl. afzichtelijk [1787; WNT vervallen I]. Eerder al met dezelfde betekenis afsichtich [1573; Thes.], en het zn. afsicht ‘mismaaktheid, afkeer’ [1599; Kil.].
Wrsch. een leenvertaling van Latijn dēspectus ‘verachtelijk’, het verl.deelw. van dēspicere ‘neerzien op, verachten’, gevormd uit → de- ‘van ... weg’ en het werkwoord specere ‘zien’, verwant met → spieden. FvW denkt, misschien niet ten onrechte, aan invloed van afschouwelijk, een nevenvorm van afschuwelijk, waarbij schouwen dus als ‘zien’ werd geïnterpreteerd, zie → afschuw.

EWN: afzichtelijk bn. 'zeer lelijk' (1787)
ANTEDATERING: vnnl. de afzichtelijkste markt [1671; iWNT verstommen]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

afzichtelijk* [wanstaltig] {afsichtigh 1599, afzichtelijk 1856} een vertaling van latijn despectus [idem].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

afzichtelijk bnw., Kiliaen heeft alleen afsichtigh naast afsicht ‘mismaaktheid, afkeer’ < lat. despectus (met zijdelingse invloed van afschuwelijk).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

afzichtelijk bnw., nog niet bij Kil., die evenwel een synoniem afsichtigh kent. Het bij Kil. vermelde afsicht “deformitas: despectus, us, despectio, despicientia, aversio” kwam minder voor. Wellicht is bij ’t ontstaan dezer woorden zoowel invloed van lat. despectus enz. als van afschouwelijk, den bijvorm van afschuwelijk, in ’t spel geweest.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

afzichtelijk bijv., van *afzicht, Kil. afsicht = leelijkheid, naar Lat. despectus, despectio = het (doen) afwenden van den blik.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

afzichtelijk (vert. van Latijn despectus)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

afzichtelijk* wanstaltig 1856 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut