Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

afzetten - (afnemen; neerzetten; buiten werking stellen; scheiden, afbakenen)

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1afsit ww.
1. Aflaai, laat afklim, uitstap, op 'n laer plek plaas. 2. Afskakel (afskakel 1). 3. Uit 'n amp ontslaan. 4. Van die liggaam afsny, amputeer. 5. Begin beweeg of laat beweeg, bv. deelnemers aan 'n wedren. 6. Voortbeweeg. 7. Stukkend sit.
In bet. 1 - 6 uit Ndl. afzetten (al Mnl.). Bet. 7 het in Afr. self ontwikkel.

2afsit ww.
Hinder, van stryk bring.
Uit Ndl. afzetten (1804) of uit af en sit, as leenvertaling van Eng. put off (1616).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

afzetten ‘afnemen; neerzetten; buiten werking stellen; scheiden, afbakenen’ -> Zweeds avsätta ‘iemand van zijn functie beroven’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands set af ‘neerzetten; uitschakelen, afdanken’.

Hosted by Meertens Instituut