Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

aftrekken - (verwijderen; rekenkundig verschil bepalen; masturberen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

aftrekken ww. ‘verwijderen; rekenkundig verschil bepalen; masturberen’
Mnl. aftrecken ‘losrukken, wegtrekken’ [1240; Bern.], ‘afschaffen’ [1265; Stall. I, 62], en ook al als wiskundige term afftrecken [1445; Claes 1994b]; vnnl. aftrecken vander somme als financiële term [1546; Naembouck]; nnl. als rekenterm en later ook door de aangeduide beweging, net als afrukken en afsjorren, overdrachtelijk (en eufemistisch) gebruikt in de betekenis ‘masturberen’ [1906; Boeventaal].
Gevormd uit → af- en → trekken.
Mnd. aftrecken ‘af-, wegtrekken’; nfri. ôftrekke ‘wegtrekken’.
Simon Stevin (1548-1620) propageerde aftrekken als rekenkundige term in 1613: het tegengestelde van optellen.
aftrekker zn. (BN) ‘flesopener, kurkentrekker’. Nnl. aftrekker ‘id.’ [1873; WNT Supp.].
Lit.: K. de Groot (1919) ‘Het purisme van Simon Stevin’, in: NTg 13, 161-182, hier 168; F. Claes s.j. (1995) ‘Simon Stevin als bron voor Kiliaan’, in: TNTL 111, 55-64; Heestermans 1980; Kool 1999

EWN: ♦ aftrekker zn. (BN) 'flesopener, kurkentrekker' (1873)
ANTEDATERING: Een aftrekker 'een kurkentrekker' [1807; Koninklijke courant (KB) 15/9]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

aftrekken* [in de wiskunde: verminderen] {1445; in de betekenis ‘verwijderen van ’ reeds 1201-1250} vertaling van latijn subtrahere [idem], van sub [van onder … weg] + trahere [trekken]; de wiskundige vertaling werd lange tijd toegeschreven aan Simon Stevin (1548-1620), maar het woord is in deze betekenis al ouder; vgl. het tegenovergestelde optellen [in de wiskunde: vermeerderen] {1562}.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

aftrekken ww., mnl. aftrecken ‘van iets aftrekken, afrukken, wegnemen’. De betekenis van aftrekken in de rekenkunde gaat op Simon Stevin terug, die daarmee lat. deducere, detrahere, subtrahere vertaalde (de Groot, NT 13, 1919, 168 vlgg.).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

† aftrekken ww. In verschillende bett. reeds mnl., maar als rekenkundige term ingevoerd door Simon Stevin, ter vertaling van lat. deducere, detrahere, subtrahere. K.W.de Groot N. T. 13, 168 vlgg.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1optel ww.
Twee of meer getalle bymekaar tel.
Uit Ndl. optellen (1562).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

aftrekken (vert. van Latijn sub-/detrahere of Duits abziehen)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

aftrekken ‘(wiskunde) verminderen’ -> Negerhollands trek af ‘verminderen, korten, inhouden’; Surinaams-Javaans trèg-af, ngetrèg-af ‘verminderen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

aftrekken* in de wiskunde: verminderen 1445 [Claes Tw. 9]

aftrekken* bevredigen 1906 [WNT Suppl]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2292. Met de (of een) stille trom vertrekken (of aftrekken),

d.w.z. stil, ongemerkt vertrekken, zich verwijderen; eene uitdrukking, die ontleend is aan het krijgswezen, en eig. gezegd wordt van soldaten, die zonder de trom te roeren stilletjes aftrekken. Vgl. Vondel, Gijsbr. v. Aemstel, vs. 281: Men brack al heimlijck op en zonder eenigh teken van horen en trompet, of hut in brant te steecken; Brederoo, I, 42, 937: Hoort, helden van mijn bloedt, treckt sonder trommel-slagh met opgherolde vanen in aller stilten heen. In de 17de eeuw in overdr. zin aangetroffen bij Brederoo, Sp. Brab. vs. 1179:

 Wat komter vrydaechs een gerit ter poort indringen,
 Van revelduytsche en van vreemde hommelinghen,
 Al ghesonde Wijven, met besieckte doecken om,
 By hiele vaendels vol, doch met een stille Trom.

Zie verder Hooft, Ned. Hist. 9; 176; Vondel, Pascha, vs. 1487: Bellon die listich ons met een stille trom bekruypt, wanneer wy slapen; Op den Optoght der Schutteryen t' Amsterdam, vs. 48: Met eene stille trom afdruipen; Pers, 160 a; 530 b; V. Avant. I, 151; Kale Utr. Edelman II, 75; Middelb. Avant. 123; Tuinman I, 335; Focquenb. Typhon, 3de sangh 425: Terwyl sy sonder Fluyt, of Trom gelijck als halve Nickers vlooden; Halma, 651: Met een e stille Trom opbreeken of verhuizen, décamper à la sourdine, déloger sans trompette; fr. déloger sans tambour ni trompette; vroeger déménager à la sonnette de bois; Esopet, Pallasch, 8: Met een stille trom opkramen; Harreb. II, 345; Nkr. II, 13 Sept. p. 2: Ik dacht dat dat comité zich zelf al lang met stillen trom begraven had; Nkr. VIII, 23 Mei p. 3; Onze Eeuw, XIV, 1323; Joos, 109: met het stil trommeken vertrekken; hd. Ohne Sang und Klang abgehen.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut