Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

afschuwelijk - (afschuw opwekkend)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

afschuw zn. ‘hevige afkeer’
Vnnl. als zn. afschouwen ‘afkeer’, bijv. in een afschouwen hebben [1573; WNT]; pas in de 18e eeuw vervangen door afschuw [1736; WNT Supp.].
Precieze etymologie onzeker. Wellicht als gesubstantiveerde infinitief gevormd bij het werkwoord afschuwen, afschouwen ‘afschuw wekken, doen afschrikken’, zoals in: Doir sulcx en moet hem nyemant laten affschouwen van 'tgoede ‘niemand moet zich door zoiets laten afschrikken’ [1586; WNT Supp.], gevormd uit → af, dat hier verwijdering uitdrukt, en → schuwen (met nevenvorm schouwen) ‘vrezen, ontwijken’. Een probleem hierbij is dat dit werkwoord afschuwen slechts eenmaal door het WNT is gevonden. Daarom kan misschien beter gedacht worden aan ontlening aan het Duits. Het Duits had namelijk wel een werkwoord abscheuen ‘terugschrikken, ontwijken’ [15e eeuw; Pfeifer], met daarbij net als in het Nederlands, maar dan eerder, een gesubstantiveerd abscheuen [15e-17e eeuw; Pfeifer] en een daaruit verkort abscheu ‘hevige afkeer’ [1500-50; Pfeifer]. In deze woorden is scheuen hetzelfde woord als Nederlands schuwen.
afschuwelijk bn. ‘afschuw opwekkend’. Vnnl. afschouwelijck [1589; WNT]; ook zonder af- in: t'is schouwelijck om sien [1630; WNT schouwen II]. Afleiding met → -lijk van het werkwoord afschouwen, afschuwen; maar ook hier geldt: mogelijk ontleend aan Duits abscheulich [begin 16e eeuw; Pfeifer]. ♦ verafschuwen ww. ‘verachten, afschuw hebben van’. Nnl. in Kajafas ondervraagt, verafschuwt hem [1827; WNT verafschuwen]. Ontleend aan Duits verabscheuen ‘id.’ [19e eeuw; Pfeifer].

EWN: afschuw zn. 'hevige afkeer'; de vorm afschuw (1736)
ANTEDATERING: spot en haat en afschuw [1693; Bekker, 75]
EWN: ♦ afschuwelijk bn. 'afschuw opwekkend' (1589)
ANTEDATERING: afschouwelijc 'afschuw wekkend, afstotend' [1586; iWNT afkeerlijk]
EWN: ♦ verafschuwen ww. 'verachten, afschuw hebben van' (1827)
ANTEDATERING: hebben altoos den Oorloch ... verafschuwd [1741; E.Mercurius 52, 2, 131]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

aofsjuielek (bn.) afschuw opwekkend; Nuinederlands afschouwelijck <1589> < Rienlands afscheulech.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut