Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

afschot - (houten afsluiting; schuine helling)

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

afskot s.nw.
1. Afskorting (afskorting 1). 2. Helling van 'n vlak waarlangs water moet afloop.
Uit Ndl. afschot (1671 in bet. 1, 1944 in bet. 2). Ndl. s.nw. schot 'houtafsluiting, afgeskorte ruimte' sluit aan by bet. 1.

Thematische woordenboeken

S. Theissen (1978), Germanismen in het Nederlands, Hasselt

afschieten, afschot

Sommige puristen beweren, dat men in het Nederlands wel een geweer kan afschieten maar niet een mens, dier of vliegtuig. Daarom beschouwen ze afschieten in de zin van ‘doodschieten om overtollige exemplaren te verwijderen’ als een germanisme (D. ‘abschießen’). Men kan echter ook ‘mussen van het dak afschieten’ of ‘iemand al zijn duiven afschieten’ (d.i. doodschieten en daardoor de eigenaar ervan beroven, Van Dale). Van daar is het nog slechts een kleine stap tot de germanistische betekenis.

In ieder geval is afschieten in de algemene taal niet zeer gebruikelijk. Het blijft tot de jagerstaal beperkt, waar men ook het substantief afschot vindt: Het afschot der konijnen bedraagt hier jaarlijks 2 000 stuks.

Slechts twee algemene woordenboeken hebben afschieten opgenomen: Van Dale, die het een germanisme noemt en Koenen, die het zonder verdere aantekening vermeldt.

Hosted by Meertens Instituut