Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

afschepen - (iemand onverrichter zake wegsturen, afpoeieren)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

afschepen ww. ‘iemand onverrichter zake wegsturen, afpoeieren’
Mnl. affscepen ‘(goederen) per schip versturen’ [1444; MNW], afgesceipt (verl.deelw.) [15e eeuw; MNW], twee schepen of te schepen ‘twee schepen uit te sturen’ [1494; MNW]; vnnl. Wij nu scheepten af ‘voeren af’ [1637; WNT]; nnl. verlof tot het afscheepen der Spanjaarden ‘(personen) per schip wegzenden’ [ca. 1750; WNT], af te schepen ‘af te poeieren’ [1735; WNT].
Gevormd uit → af in de betekenis ‘weg’ en het werkwoord schepen ‘varen, inschepen’, zie → schip. De betekenis ontwikkelde zich van het letterlijk versturen van schepen met goederen en personen naar een overdrachtelijke in pejoratieve zin, en wordt in deze betekenis sinds de 19e eeuw volgens het WNT vooral ontkennend gebruikt: zich niet laten afschepen met.

EWN: afschepen ww. 'iemand onverrichter zake wegsturen, afpoeieren' (1444)
ANTEDATERING: dat men enich guet up- of afscepede 'dat men enig goed loste of inscheepte' [1402-12; iMNW]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

afschepen* in de uitdrukking iemand afschepen [iem. onder enig voorwendsel wegsturen] {afscepen [inschepen en verzenden van goederen] 1444} overdrachtelijk gebruik van de betekenis ‘inschepen en wegsturen’.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

afschepen ‘zich van een ongewenst verzoek afmaken’ -> Fries ôfskepe ‘zich van een ongewenst verzoek afmaken’; Deens afskibe ‘per schip versturen’ (uit Nederlands of Duits); Noors avskipe ‘per schip versturen’.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

58. Iemand afschepen.

‘Het werkwoord afschepen werd in de middeleeuwen gebruikt in den zin van goederen, koopwaren inschepen en wegzenden, ze in een vaartuig laden en naar elders doen vervoeren; ook werd het later gezegd van personen, die men in een schip verzendt.Mnl. Wdb. I, 263: Winschooten, 5: Afscheepen, met een Schip af senden; ik heb die Waaren, die Vrienden afgescheept. Vandaar figuurlijk ‘van personen, wier bijzijn men moede is; inzonderheid van dezulken, die iemand met vragen of verzoeken lastig vallen. Ze met een bits bescheid of onder eenig voorwendsel van zich afzenden, ze nopen om onverrichter zake af te trekken, t.w. door zich òf op een onheusche wijze òf met een zoet lijntje van hen af te maken. Het beeld is ontleend aan een handelaar, die de koopwaren afscheept, welke hij kwijt wil zijn; of wel aan iemand, die een lastig bezoeker uitgeleide doet naar de schuit of den beurtman, waarmee hij gaat vertrekken, en die dan schertsend gezegd werd hem af te schepen, d.i. per schip weg te zenden.’ Zie het Ndl. Wdb. I, 1340 en vgl. Sewel, 35: Iemand afscheepen, (zich van iemand ontslaan), to dispatch one; Halma, 25: Iemand afscheepen, se défaire de quelqu'un, s'en débarasser; Tuinman II, 82; Harreb. III, 3 b; Waasch Idiot. 60; fri. immen ôfskypje, ôfkonfoaije; amer. to ship a.p. Synoniem in de 17de eeuw: iemand afzetten.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut