Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

afscheid - (het heengaan)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

afscheid zn. ‘het heengaan’
Mnl. afscheit ‘id.’ [1450; MNW] afscheid ‘verlof om heen te gaan’ [1459; MNW]. Al eerder als werkwoord mnl. afscheiden ‘heengaan’ (een man sciet wilen sijn huvs af ‘er ging eens een man van huis weg’ [1285; CG II, Rijmb.].
Afleiding van mnl. afscheiden ‘(zich) verwijderen van iets, heengaan’, gevormd uit → af en → scheiden.
Nhd. Abschied [eind 14e eeuw; Pfeifer], naast verouderd Abscheid; nfri. ôfskie(d). Al eerder het werkwoord os. afskēdan (mnd. afscheden); mhd. abscheiden ‘scheiden, zich verwijderen’; got. afskaidan ‘scheiden’.
Het oudere en nu verouderde woord → oorlof ‘verlof om heen te gaan’, bij uitbreiding ook ‘het heengaan’ was in de tweede betekenis synoniem met afscheid en werd daar in het Vroegnieuwnederlands door vervangen. De betekenis ‘verlof om heen te gaan’, bij afscheid inmiddels alweer verouderd, verklaart de werkwoordcombinatie afscheid nemen, als gevolg van oorlof nemen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

afscheid* [het scheiden] {afsceet [het vaarwel zeggen, besluit] 1450} middelnederduits afschēt, middelhoogduits abeschit, van af + scheiden.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

afscheid znw. o., mnl. afscheit ‘vaarwel zeggen, beslissing’, mnd. afschēt m. o. ook ‘afscheid’, mhd. abescheit ‘afscheid, dood, beslissing’ (ouder nhd. abscheid, nu abschied). — zie af en scheiden.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

afscheid znw. o., mnl. afscheit(d) o. (m.?) “het vaarwel zeggen, beslissing”. = mhd. abescheit m. “afscheid, dood, beslissing” (oudnhd. nog abscheid, nu alleen abschied m.), mnd. afschêt “toegewezen goederen, overeenkomst, bescheid”. Van af-scheiden.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

afscheid. Mnd. afschêt m. en o. komt ook al voor in de bet. ‘afscheid’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

afscheid o., Mnl. afscheit + Nhd. abschied, verbaalabstr. van afscheiden.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

afscheid ‘het scheiden’ -> Fries ôfskeid ‘het scheiden’; Deens afsked ‘het scheiden, het aftreden’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors avskjed ‘het scheiden, vaarwel zeggen; het aftreden’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds avsked ‘het scheiden, het vaarwel zeggen’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands (neem) afskeid ‘het scheiden, vaarwel zeggen’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

Afscheid van domineesland [boektitel] (1931). Menno ter Braak (1902-1940) publiceert in 1931 de bundel Afscheid van domineesland. De titel van de bundel is spreekwoordelijk geworden: domineesland betekent nu ‘kleinburgerlijke, provincialistische gemeenschap’.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

afscheid* het scheiden 1450 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut