Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

afpoeieren - (iemand afschepen)

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

55. Iemand afpoeieren,

d.w.z. iemand afschepen, door hem onheusch te bejegenen; ook: maken dat hij aflaat, door zich met een zoet lijntje van hem af te maken; Ndl. Wdb. I, 1251; Harreb. III, 3 b. De eig. bet. van ‘poeieren’ is iemand met een (bijtend?) poeder bestrooien of inwrijven, vandaar: hem onvriendelijk bejegenen; vgl. iemand bepoeieren, met sneeuwballen gooien; dial. iemand inpoeieren, met sneeuw inwrijven; Waasch Idiot. 59 a: afpoeieren, afrossen; Rutten, 178: poeieren, afranselen; Claes, 187: poederen, afpreugelen; iemand eene poeiering geven; Teirl. 37: afpoeieren, hard bekijven of bestraffen; De Bo, 877 a: Iemand poeieren, iemand doorhalen; iemand een poeiering geven (of draaien), iemand afranselen; fr. poudrer qqn., iemand uitschelden (verouderd). Dezelfde beteekenisontwikkeling vindt men bij iemand afzouten (zie ald.) en het hd. pfeffern, gooien, slaan; Teirl. 36: afpeperen, afranselen.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal