Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

afleggen - (neerleggen; verrichten)

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

afleggen ‘neerleggen; een tak ombuigen en met aarde bedekken, zodat hij wortel kan schieten; verrichten’ -> Negerhollands lee af ‘neerleggen; verrichten’; Papiaments lèg ‘door takken of twijgen met grond te bedekken een nieuwe plant zelfstandig doen opgroeien’.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

54. Het afleggen.

Een verzachtende uitdrukking voor sterven, eig. het leven afleggen (lat. ponere vitam; eng. to lay down one's life), veelal met het bijdenkbeeld van het lijden, dat er mede gepaard gaat en waarvan de mensch door den dood wordt ontheven; ook: in zijne pogingen bezwijken; niet bestand blijken tegen iemand of iets, er voor moeten zwichten in de uitdr. het tegen iemand afleggen; eig. het leven afleggen, als de toestand van kracht en werkzaamheid, in tegenstelling van de machteloosheid van een doode; Ndl. Wdb. I, 1129-1130. In de eerste beteekenis komt de zegswijze in de 17de eeuw voor. Bij Vondel, Herkules, 880: Z'is doot, en kout, noch eens gezeit - Och arme, heeft zy 't afgeleit?; Tuinman II, 235: Hy heeft het afgelegt, verstaat daar onder het leven, en daar mede de lasten en moeyelykheden van dit traanendal; Halma, 23: Afleggen, sterven, mourir; Abr. Blank, bl. II: De tyd, waarin myn dierbaare Voogd dit leven heeft afgelegt voor een staat, waar toe hy zich door alle zijne gedraagingen, had voorbereid; Van Weel, 84. In 't fri. hy het it ôflein.

1501. Den ouden mensch afleggen.

Deze woorden zijn ontleend aan Ephes. IV, 22-24: ‘Dat ghy soudet afleggen aengaende de vorige wandelinge den ouden mensche, die verdorven wort door de begeerlickheden der verleydinge.... ende den nieuwen mensche aendoen, die na Godt geschapen is in rechtveerdicheyt ende heylicheyt.’ De apostel wil met deze woorden zeggen dat er bij de Christenen eene zedelijke verandering moet plaats hebben. ‘Zij worden evenwel onder ons als scherts gebezigd om aan te duiden, dat men de gewone wekelijksche verwisseling van linnen ondergaat; daarom wordt ook het woord uitschudden voor afleggen in de plaats gesteld’. Zie Zeeman, 377; Stellwagen, Roomsche woorden, 67 en vgl. Vondel, Maria Stuart, 232; Halma, 478; Afrik. die ou mens aflê, en no. 49.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut