Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

afgrond - (steile diepte)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

afgrond zn. ‘steile diepte’
Onl. afgrundi [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. afgrunt ‘diepte, kloof’ [1240; Bern.].
Zelfstandig gebruikt bn. pgm. *afgrundia- ‘geen bodem hebbend’, gevormd uit → af en → grond.
Os. afgrundi; ohd. abgrunti (bn.) ‘onmeetbaar diep’ (Oud-Alemannisch ook al abgrunt) (nhd. Abgrund); nfri. ôfgrûn (naast ûngrûn); oe. æfgrynde [11e eeuw] (slechts eenmaal aangetroffen); got. afgrundiþa ‘afgrond’.
Lit.: Lessen 1940

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

afgrond* [grondeloze diepte] {oudnederlands afgrundi (3e nv.) 901-1000, middelnederlands afgront} oudsaksisch afgrundi, oudhoogduits abgrunti, oudengels æfgrynde, als zn. gebruikte vorm van het bn. met de betekenis ‘iets dat geen grond heeft’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

afgrond znw. m., mnl. afgrond m. afgronde v., onfrank. afgrundi, os. afgrundi, ohd. abgrunti, oe. æfgrynde. Daarnaast got. afgrundiþa. Het germ. *afgrundia betekent ‘een plaats, waar de grond omlaag gaat, naar beneden afstort’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

afgrond znw., mnl. afgront o. m., afgronde o. v. = onfr. afgrundi (dat. enk.), ohd. abgrunti o. (laat-mhd. komt abgrunt m. op; nhd. abgrund), os. afgrundi (mnd. komt afgrunt m. op), ags æfgrynde o. “afgrond”; het oerwgerm. woord was *af-ʒrund-ia- “plaats waar de grond naar beneden gaat”. Formantisch afwijkend got. afgrundiϸa v. “afgrond”. Vergl. grond.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

afgrond m., Mnl. afgront, Onfra. & Os. afgrundi + Ohd. abgrundi (Mhd. abgrunde, Nhd. abgrund), Ags. ungrynde, Go. afgrundiþa, niet op te vatten als een samenstelling met bijw. af = wat van den grond af is, naar analogie van Go. fauradauri = straat voor de deur of andanahti = avond, tijd tegen den nacht, — maar als gevormd met praefix af- = on, zonder, naar ’t Gr. ábussos van a = zonder (z. on) en bussós = bodem.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Af- in afgod, afgrond, afgunst bet. on.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

afgrond ‘grondeloze diepte’ -> Deens afgrund ‘grondeloze diepte, onoverbrugbaar verschil’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors avgrunn ‘grondeloze diepte, onoverbrugbaar verschil’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds avgrund ‘(beangstigende) grondeloze diepte’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

afgrond* grondeloze diepte 0901-1000 [WPs]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut