Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

afgod - (valse godheid)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

afgod zn. ‘valse godheid’
Mnl. afgod ‘heidense god’ [1240; Bern.].
Vormingen uit → af en een zn. zijn ongebruikelijk; meestal gaat het om vormingen uit afleidingen van werkwoorden of bijvoeglijk naamwoorden (zoals → aflaat). Mogelijk is het een leenvertaling van het Gotische bn. afguþs ‘goddeloos’ bij het zn. afgudei ‘goddeloosheid’. Het woord zou uit de Gotische missie in Zuid-Duitsland stammen en daar het negatieve voorvoegsel af- hebben gekregen. Het zou dan een onzijdig abstractum zijn met als betekenis ‘het goddeloze’, letterlijk ‘wat van god weg is’.
Os. afgod; ohd. abgot (nhd. Abgott); ofri. afgod (nfri. ôfgod naast ûngod).
Het woord is beperkt tot de continentale Germaanse talen en is daar een product van de christelijke missie. In tegenstelling tot monotheïstische godsdiensten als christendom, jodendom en islam kenden de ‘heidenen’ geen afgoden.
Lit.: E. Karg-Gasterstädt (1945) ‘got und abgot’, in: Beiträge zur Geschichte der deutschen Sprache und Literatur 67, 420-433

EWN: afgod zn. 'valse godheid' (1240)
ANTEDATERING: onl. afgot in: thie thiet, thie thie afgot beget 'dat volk dat de afgoden aanbidt' [1151-1200; ONW]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

afgod* [valse godheid] {1201-1250} oudsaksisch, oudfries ofgod, oudhoogduits abgot [eig.: ongod, verkeerde god]. De gothische vorm afguþs [goddeloos, dus: tegen de wil van god ingaand] staat tegenover gaguþs [vroom]; beide vormen zouden eventueel vertalende ontleningen aan het grieks asebès tegenover eusebès kunnen zijn.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

afgunst

In het Middelnederlands bestond een werkwoord onnen en een samenstelling daarvan: jonnen, die allebei betekenden: gunnen. Het daarbij behorende zelfstandige naamwoord luidt: gunst en daarvan is weer een samenstelling: afgunst. De betekenis is: het gevoel van leed of spijt over het goede dat een ander geniet of dat hij kans heeft te verkrijgen en dat men hem niet gunt zonder het nog juist voor zichzelf te begeren.

Het eigenaardige van het woord is gelegen in het voorvoegsel af. Dit heeft namelijk altijd een betekenis die weergegeven kan worden door: weg van. Alleen in afgunst en in afgod betekent het: verkeerd, on-. Afgunst is ongunst en een afgod is een on-god, een verkeerde, valse god.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

afgod znw. m., mnl. afgod, os. ofri. afgod, ohd. abgot. Het woord, eerst na de bekering ontstaan, betekent een ‘valse god’. In het got. betekent afguþs ‘goddeloos, misdadig’, een leenvertaling van gr. asebḕs ‘goddeloos’; in de tijd der bekering heeft men dit gotische woord overgenomen en daaruit de betekenis ‘wie aan valse goden gelooft’, dan ook ‘valse god’ overgenomen.

Von Bahder, PBB 22, 1897, 525, heeft onder verwijzing naar afgunst het woord afgod als een zelfstandige formatie beschouwd, waarin af een pejoratief prefix zou zijn.

afgod [Aanvullingen De Tollenaere 1969]: zie Ts 85, 226-227 [1969].

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

afgod znw., mnl. afgod m. (v. afgōdinne) = ohd. abgot o. (zelden m.; nhd. abgott m.), os. ofri. afgod m. “afgod” eig. = “on-god, verkeerde god”. Voor af- als negatief en pejoratief prefix vgl. afgunst en zie Von Bahder PBrB. 22, 525. Een andere bet. heeft af in wvla. afgod “goddeloos mensch”, noorw. dial. avgud “id.”. got. afguϸs “goddeloos” (: gaguϸs “vroom”), drie woorden, die onafhankelijk van elkaar ontstaan zijn.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

afgod. De bet. ‘goddeloos mens’ ook in het Zovla. (Teirlinck), terwijl bij noorw. dial. avgud zich aansluit zuidzw. dial. avgud ‘slecht mens”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

afgod m., Mnl. afgod + Ohd. apcot, abgot (Mhd. abgot, Nhd. abgott), Ags. afgod, Ofri. id., On. afguđ, Go. afguþs (maar hier adj. met de bet. goddeloos gelijk ook in ’t Vlaamsch). Voor Grimm zijn afgod = valsche god en afguþs = goddeloos, hetzelfde woord; voor de meesten echter is afgod gevormd met een praefix af = on (z. afgrond), — en afguþs samengest. met het bijw. af = afgekeerd van.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

afgod s.nw.
1. Beeld of ding wat aanbid word. 2. Iets of iemand wat buitensporig bemin of aangehang word.
Uit Ndl. afgod (al Mnl.), 'n samestelling van af 'verkeerde' en god.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Af- in afgod, afgrond, afgunst bet. on.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

afgod ‘valse godheid’ -> Deens afgud ‘valse godheid’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors avgud ‘(beeld of beeltenis van) valse godheid’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands afgod ‘valse godheid’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

afgod* valse godheid 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut