Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

afgezaagd - (zo dikwijls gebruikt dat het overbekend is, flauw)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

afgezaagd bn. ‘zo dikwijls gebruikt dat het overbekend is, flauw’
Nnl. een afgezaagd deuntje ‘een overbekend geluid’ [1835; Geel].
Samenstelling uit → af- ‘tot het eind’ met het werkwoord → zagen.
De betekenis komt wrsch. uit de muziek: altijd op dezelfde snaar zagen ‘zich herhalen’ [1811; Weiland], vgl. vnnl. sagen ‘krassen, slecht viool spelen’ [1695; WNT]. Een andere mogelijkheid is verband met een betekenis zaghen ‘zeuren’ [1579; WNT], zoals bijv. ook de door het WNT genoemde uitdrukking op denzelfden steen zagen ‘steeds hetzelfde zeggen’ [1789].
Lit.: J. Geel (1835) Gesprek op den Drachenfels, Leiden

EWN: afgezaagd bn. 'zo dikwijls gebruikt dat het overbekend is, flauw' (1835)
ANTEDATERING: 't Afgezaagd' muziek van Trojes oorlogsdeunen [1754; iWNT]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

afgezaagd* [zo dikwijls ter sprake gebracht dat het nieuwe er al lang af is] {1838} oorspr. gezegd van een muziekstuk dat men tot vervelens toe op de viool heeft horen krassen, van zagen [op de viool spelen].

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

afgezaagd

Van oudsher heeft men het werkwoord zagen niet slechts gebruikt in de letterlijke betekenis: door middel van een zaag een stuk hout in tweeën delen, maar ook in de figuurlijke: slecht op de viool spelen. Een muziekstuk noemde men afgezaagd, wanneer het op eentonige wijze – en dus vervelend – ten gehore gebracht werd. Zo zei men vroeger ook: een lied opzagen in de zin van: het eentonig op de viool spelen of vervelend opdreunen. Het woord afgezaagd wordt thans alleen nog gebezigd in de betekenis: zo dikwijls behandeld, te berde gebracht en besproken, dat het nieuwtje er allang af is. Men gebruikt het dus voor: overbekend, oudbakken. Een jonge zegswijze is: mijn examinator heeft mij doorgezaagd, in de zin van: hij heeft mij voortdurend over hetzelfde onderwerp vragen gesteld.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

afgezaagd* zo dikwijls ter sprake gebracht dat het nieuwe er allang af is 1838 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

53. Afgezaagd.

Eigenlijk wordt afgezaagd met minachting gezegd van een muziekstuk, dat men tot in het uiterste, d.i. tot vervelens toe, op de viool heeft hooren krassen, en waarvan men meer dan genoeg heeft. Het wordt echter alleen figuurlijk gebruikt, in toepassing op hetgeen het onderwerp van zingen, spreken of schrijven is, en dus in den zin van: zoo dikwijls gezongen, behandeld of te pas gebracht, dat er het nieuwtje al lang af is, dat men er genoeg van heeft; tot vervelens toe gebruikt en daardoor overbekend. Verg. lat. decantatus, en zie voor deze verklaring het Ndl. Wdb. I, 974.

Als bewijs van het wkw. zagen in den zin van ‘krassen op een viool’ (fr. scier le boyau; hd. die Darmsaiten sägen; eng. to saw on the fiddle) moge een plaats dienen uit Avant. II, 248: Een menigte Jan-hagel en eenige hoeren, die na het sagen van een ellendigen speel-man lustig in het rond dansten; zie ook Van Effen, Spect. XI, 102. Vgl. voor de overdrachtelijke beteekenis De Brune, Bank. I, 40: Niet dat ons meer vermoeyt als de zagingh van ons ooren; wanneer de woorden klateren en klappen, als losse vensters in de wind; II, 281: 't Is zeker een groot voordeel, hoewel men eygentlick tot noch toe niet en weet, waer in de schoonheyd bestaet, en hoe-ze dient, naer de kunst bepaelt te werden; daer over veel getwist en 't zaeghen over en weer ghetrocken kan werden. Thans is bij ons nog bekend de fig. zegswijze altijd op dezelfde snaar zagen, altijd over hetzelfde onderwerp praten; de Vlamingen kennen zagen ook in den zin van ‘verdrietig altijd van hetzelfde spreken’ (De Bo, 1417 a), waarvoor zij ook zeggen ziegezagen en altijd op dezelfde snare veêren; zagen en klagen, gedurig klagen (Joos 51). Zie ook Schuermans, Bijv. 196 i.v. mes; Antw. Idiot. 674: Knaag en zaag, zagerij, vervelend gezanik; 1463: 'en zaag spannen, zaniken, zagen; een zaag (= zaagteef), vrouw die zanikt (fr. une scie), enz.; Teirl. 57: Iemand zijn ooren afzagen, iemand door zouteloos en dwaas gepraat ten uiterste vervelen; Harreb. III, 4 a en vgl. het fr. scier quelqu'un, le fatiguer par le répétition uniforme de qqch. In Groningen gebruikt men zoagen in den zin van vervelend praten en telkens dezelfde uitdrukkingen gebruiken (Molema. 487 b).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut