Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

affronteren - (krenken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

affront zn. ‘belediging’
Vnnl. afgront (wrsch. volksetymologie) ‘id.’ [1617; WNT Supp.], affronten (mv.) [1624; WNT Supp.].
Ontleend aan Frans affront [ca. 1560; Rey], gevormd bij een oude betekenis van het werkwoord affronter ‘te schande zetten’ [1221; Rey] (Nieuwfrans ‘trotseren’), afgeleid van het zn. front ‘voorhoofd’; te vergelijken is de uitdrukking iemand voor het hoofd stoten.
affronteren ww. ‘beledigen’. Vnnl. in om datje me zo affronteert [1678; WNT Supp.]. Afleiding van het zn. affront.

EWN: affront zn. ‘belediging’; de vorm affront (1624)
ANTEDATERING: affronten (mv.) 'beledigingen' [1619; iWNT weder III]
EWN: ♦
affronteren ww. ‘beledigen’ (1678)
ANTEDATERING: hoe wy geaffronteert waeren 'hoe wij beledigd waren' [1614; Coen 1, 9]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

affronteren [krenken] {1678} < frans affronter [tegen elkaar plaatsen, trotseren] < middeleeuws latijn affrontare [grenzen aan], van ad [naar … toe] + frons (2e nv. frontis) [voorhoofd, voorzijde, front, buitenkant].

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

affróntere (ww.) beledigen; Nuinederlands affronteren <1678> < Frans affronter.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

affronteer ww.
Beledigend, krenkend behandel.
Uit Ndl. affronteeren (1678). Eerste optekening in vroeë Afr. by Trichardt (1836 - 1838) in die vorm affronteerd.
Ndl. affronteeren uit Fr. affronter uit Middeleeuse Latyn affrontare 'grens aan', met lg. uit ad 'na ... toe' en frons (stam front) 'voorkop, front'.
Ontleen aan die stryd tussen twee opponerende leërs wat probeer om mekaar deur gebare, skeltaal en smaad die skrik op die lyf te jaag; lett. mekaar met die voorkoppe stoot.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

ofgronteren voor het hoofd stoten (Drente). « fra. affronter ‘beledigen’, oorspr. ‘tegen het voorhoofd slaan’ (afl. bij front ‘voorhoofd’ ‹ lat. frontem ‘voorhoofd’ 4e nv.).
Hadderingh/Veenstra 198.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

affront: s.nw., affronteer, ww., ondersk. “belediging” en “beledig”; Ndl. affront en affronte(e)ren (albei blb. sedert 17e eeu en gebr. by vRieb, tans minder in AB), daarnaas in Ndl. volkst. (volkset.?) afgront en afgronte(e)ren, Eng. affront, uit Fr. affront (ontln. aan It. affronto) en ww. affronter (uit Ll. affrontare, wat verb. hou m. Lat. ad-, “teen”, en frons, (akk. frontem), “voorkop, gesig”, vgl. Afr. iem. in sy gesig vat = “beledig”).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

affronteren ‘krenken, beledigen’ -> Negerhollands affronteer ‘krenken, beledigen’; Sranantongo afrontu ‘krenken, beledigen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

affronteren krenken 1678 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut