Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

affodil - (slaaplelie (Asphodelus albus))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

affodil(le) zn. ‘slaaplelie (Asphodelus albus)’
Vnnl. affodillus [1511; Herbarius i.D.], affodille [ca. 1545; Fuchs].
Ontleend aan Frans aphodel ‘affodil(le)’, uit ouder asphodele, dat teruggaat op Latijn asphodelus < Grieks asphódelos, een woord van onbekende oorsprong, misschien uit een voor-Grieks substraat.

EWN: affodil(le) zn. ‘slaaplelie (Asphodelus albus)’ (1511)
ANTEDATERING: mnl. die wortele van affodillus 'de wortel van affodil' [1351; MNW-P]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

affodil, affodille [slaaplelie] {affodille 1554} < latijn asphodelus < grieks asphodelos [idem], waarvan ook engels daffodil.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

affodil znw. v. ‘geslacht van lelieachtige gewassen’, evenals nhd. affodill, geassimileerd uit lat. asphodelus < gr. asphodelós. — Nl. affodil verbonden met het lidwoord > ne. daffodil (1538), vgl. Bense 70.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

affodil v., uit Ofra. aphodel, van Lat. asphodelum (-us), Gr. asphódelos: oorspr. onbek.; verg. echter Skr. asphōtā, naam van verschillende planten.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

affodil s.nw.
Lelieagtige blomplant.
Uit Ndl. affodil (1554).
Ndl. affodil uit Oudfrans aphodel uit Latyn asphodelus uit Grieks asphodelos 'lelieagtige plant as grafblom gebruik'. Die affodil, kweekplant van die Middellandse Seegebied, was by die Ou Grieke bekend in die bet. 'graflelie', omdat dit in begraafplase geplant is; dus bekend as simbool van die dood.
Eng. daffodil, saamgetrek uit Ndl. de affodil.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

affodil (Latijn asphodelus)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

affodil ‘slaaplelie’ -> Engels daffodil ‘leliesoort; narcissoort; lichtgele kleur’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut