Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

affiniteit - (aantrekking door overeenkomst; structurele overeenkomst)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

affiniteit zn. ‘aantrekking door overeenkomst; structurele overeenkomst’
Vnnl. affiniteit ‘zwagerschap’ [1553; Werve]; nnl. affiniteit ‘neiging tot onderlinge reactie (chemie)’ [1824; Weiland], affiniteit ‘(aantrekking door) overeenkomst tussen personen of zaken’ [1917; WNT].
Al dan niet via Frans affinité ‘verwantschap door huwelijk’ [13e eeuw], ‘(aantrekking door) overeenkomst’ [14e eeuw], ontleend aan Latijn affīnitās ‘verzwagering, verwantenkring’, afleiding van het bn. affīnis ‘aangrenzend, door huwelijk verwant’, gevormd uit → ad- ‘tot, bij’ en fīnis ‘eind, grens’, zie → finale. De chemische betekenis is afkomstig van Frans affinité (chemie) ‘neiging tot onderlinge reactie’ [17e eeuw] en/of middeleeuws Latijn affinitas (alchemie) ‘verwantschap, overeenkomst, aantrekking’.
De betekenisontwikkeling van ‘zwagerschap’ via ‘overeenkomst’ tot ‘geestelijke verwantschap of aantrekkingskracht tussen personen en zaken’ ligt voor de hand, en doet zich ook in het Engels voor; ontlening van iedere stap in deze ontwikkeling uit het Frans is onwaarschijnlijk.

EWN: affiniteit zn. ‘aantrekking door overeenkomst; structurele overeenkomst’; de betekenis 'neiging tot onderlinge reactie (chemie)' (1824)
ANTEDATERING: welke met de Dampkrings-Lucht eenige affiniteit hebben [1804; Rotterdamsche courant (KB) 22/4]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

affiniteit [verwantschap] {1565} < frans affinité < latijn affinitatem, 4e nv. van affinitas [verwantschap], van affinis [verwant (door huwelijk)], van ad [naar … toe] + finis [grens] (vgl. affien).

Thematische woordenboeken

P.H. van Laer (1949), Vreemde woorden in de natuurkunde, Groningen/Batavia.

Affiniteit (Lat. affínitas = verwantschap; affínis = aangrenzend, verwant; < → ad- (2), + finis = grens). Neiging om een verbinding aan te gaan. Daar deze neiging juist optreedt bij niet-verwante elementen, is deze benaming niet erg gelukkig.

E.J. Dijksterhuis (1939), Vreemde woorden in de wiskunde

Affiniteit (< Lat. affinitas = verwantschap; < affinis = grenzend aan; vd. verwant; < ad = aan; finis = grens). Hoewel het woord zonder meer „verwantschap” beduidt, wordt het wiskundig voor speciale verwantschappen gebezigd en wel 1) In de algemene theorie der projectieve transformaties: collineatie, die de oneigenlijke rechte van het vlak als geheel invariant laat. 2) Meer speciaal in de elementaire meetkunde; centrale collineatie met oneigenlijk centrum en eigenlijke as; het oneigenlijke centrum bepaalt de invariante richting van verbindingslijnen van toegevoegde punten; de as is de meetkundige plaats van de snijpunten van toegevoegde rechten. De definities voor de ruimte zijn hiermee analoog. Twee figuren heten affien, wanneer de ene door een affiniteit in de andere kan worden overgevoerd; affien verwant is een pleonasme.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

affiniteit ‘verwantschap’ -> Indonesisch afinitas ‘verwantschap’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

affiniteit verwantschap 1553 [Vd Werve] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut