Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

affaire - (zaak, aangelegenheid; korte seksuele relatie)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

affaire zn. ‘zaak, aangelegenheid; korte seksuele relatie’
Mnl. affare, affere ‘zaak, aangelegenheid’ [ca. 1300; MNW]; nnl. affaire ‘liefdesgeschiedenis’ [1986; Koenen].
Ontleend aan Frans affaire ‘zaak, aangelegenheid’ < Oudfrans afaire [12e eeuw], samengetrokken uit a faire ‘wat te doen is’, gevormd uit a en het werkwoord faire < Latijn facere ‘doen’ (verwant met → doen, zie ook → feit). In de jaren 1980 komt onder invloed van het Engels de betekenis ‘korte seksuele relatie’ op [pers.waarn.].
affairist (BN) ‘ritselaar en regelaar in de politiek’. Nnl. affairist [1985; Coster 1999]. Ontleend aan Frans affairiste ‘id.’. ♦ affairisme (BN) ‘het ritselen en regelen in de politiek’. Nnl. affairisme [1998; Coster 1999]. Ontleend aan Frans affairisme ‘id.’.

EWN: affaire zn. ‘zaak, aangelegenheid; korte seksuele relatie’; de betekenis 'korte seksuele relatie' (1986)
ANTEDATERING: onvermijdelijke "affaires" '... liefdesgeschiedenissen' [1939; Groene Amsterdammer 30/12]
EWN: ♦ affairist (BN) ‘ritselaar en regelaar in de politiek’ (1985)
ANTEDATERING: "affairisten" [1934; Vaderland 4/5]
EWN: ♦ affairisme (BN) ‘het ritselen en regelen in de politiek’ (1998)
ANTEDATERING: affairisme 'geritsel, corruptie' [1902; Groene Amsterdammer 4/5]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

affaire [zaak] {affare 1300} < frans affaire < oudfrans afaire < a faire [te doen], a < latijn ad [tot] + faire < latijn facere [doen].

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

affair (zn.) 1. aangelegenheid 2. relatie; Middelnederlands affare, affere <1300> < Frans affaire.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

affêre s.nw. (gewoonlik in ongunstige sin) Ook affêring.
1. Saak, aangeleentheid. 2. Enigiets wat nie noukeurig benoem of beskryf kan word nie. 3. Gedoente. 4. (geselstaal; eufemisties) Skaamdele.
In bet. 1 uit Ndl. affaire (Mnl. affare, affere), ook gewestelik in die vorm affeer, 'saak, aangeleentheid, kwessie'. Bet. 2, 3 en 4 het in Afr. self ontwikkel. Die wisselvorm affêring hou verband met Vlaams dialektiese affeeren (1887). Vgl. die S.Ndl. dialektiese uitdr. wat 'n affaire 'wat 'n herrie'.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetensckap en Kuns

affêre: “ding, gebeurtenis, saak, werk”; Ndl. (blb. sedert 16e eeu) affaire uit Fr. affaire (à faire (Lat. facere), “om te doen”), dial. Ndl. ook affeer(en), mv. affeerens en uit dgl. vorme mntl. met velg. Afr. affêring, met pej. bet., gew. ml. “genitalieë” (vgl. gebr. in Ndl. volkst. v. geschiedenis); vgl. verder velg. by doring, koring (q.v.), ens.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

affaire (Frans affaire)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

affaire zaak 1300 [MNW] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut