Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

afdak - (hellend, beschuttend dak)

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

afdak s.nw.
1. Geslote of oop ruimte met 'n dak bo-oor, wat tydelik as bergplek gebruik word. 2. Afhellende dak wat teen 'n muur of gebou aangebring is, gewoonlik oop aan een of meer kante. 3. Dak wat uit een skuins aflopende vlak bestaan.
Uit Ndl. afdak (1667 in bet. 1, 1691 in bet. 2, 1776 in bet. 3). Eerste optekening in vroeë Afr. op 15 Mei 1662 in die vorm affdack (Resolusies van die Politieke Raad, C.2).
D. Abdach.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

afdak ‘afhellend, beschuttend dak’ -> Zuid-Afrikaans-Engels † afdak ‘afhellend dak, bijgebouwtje’ ; Amerikaans-Engels dialect † offdoch ‘portiek, veranda’; Papiaments afdak, hafdak ‘afhellend, beschuttend dak; lessenaarsdak’; Sranantongo afdaki ‘overdekt kraampje, krot, hut, huis waaraan nog gewerkt wordt; eenkamerwoning; luifel; bepaald soort kapsel’; Sarnami halap dáki ‘afhellend, beschuttend dak’.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal