Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

afbreuk - (nadeel, schade)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

afbreuk zn. ‘nadeel, schade’
Mnl. afbrec [voor 1356; MNW], afbreking [1413; MNW]; vnnl. afbreuk ‘verlies, schade’ [ca. 1574; WNT]. Het woord is nu meervoudsloos, maar kende vroeger een meervoud op -en.
Gevormd uit → af en het zn.breuk.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

afbreuk ‘verlies, schade’ -> Noors afbrekk ‘verlies, schade; onderbreking’ (uit Nederlands of Nederduits).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut