Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

afbeulen - (meedogenloos door overgrote inspanning geheel afmatten)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

beul zn. ‘scherprechter, wreedaard’
Mnl. als familienaam bodel [1227; Debrabandere 1993] en buel [1237; Debrabandere 1993], bodel ‘gerechtsdienaar, beul’ [ca. 1450; MNW], bodelen (mv.) ‘beulen’ [1481; MNW], buedel [1486; MNHWS]; vnnl. buel [1550; MNW], zo brutaal als een buel [1561; WNT], beudel ‘scherprechter’ [1598; WNT], bole, beul, beudel ‘beul, beambte’ [1599; Kil.] (Kiliaan noemt bodel verouderd), beudel ‘wreedaard’ [1617; WNT], beuls (mv.) ‘moordenaars’ [1620; WNT].
Oude afleiding (nomen agentis) bij een ablautsvorm van de wortel van het werkwoord → bieden: de betekenis ‘scherprechter’ is uit die van ‘(gerechts)bode, gerechtelijk ambtenaar’ ontstaan. Door umlaut en rekking in open lettergreep ontstond uit budil > beudel, waaruit vervolgens de intervocalische -d- verdween, zoals bijv. ook in boel uit → boedel.
Os. budil ‘gerechtsbode’ (mnd. bödel, böddel ‘gerechtsbode, scherprechter’, > nzw. bödel); ohd. butil, budil ‘gerechtsbode’ (nhd. Büttel); nfri. boal, beul; oe. bydel ‘bode, heraut’; < pgm. *bud-ila, met achtervoegsel *-ila uit de nultrap van de wortel van *beudan- ‘bieden’.
De beul of scherprechter was de centrale figuur van het hele rechterlijke bestel in vroegere eeuwen. Het woord beul kreeg een steeds negatievere bijklank.
beulen ww. ‘hard werken, wreed te werk gaan’. Vnnl. beulen ‘iemand als een beul pijnigen’ [1677; WNT]; vnnl. gebeuld (verl.deelw.) ‘hard gewerkt’ [1873; WNT]. Afleiding van beul. ♦ afbeulen ww. ‘geheel afmatten’. Nnl. afbeulen ‘afmatten’ in dat ongenadig blokken, waardoor zo veele geestige kinderen afgebeuld ... worden [1784; WNT]. Gevormd uit → af ‘tot het einde toe’ en beulen.

EWN: beul zn. 'scherprechter, wreedaard'; de vorm beul (1550)
ANTEDATERING: De beul tradt aen om worgen [1527; iWNT thuis I]
EWN: ♦ beulen ww. 'hard werken, wreed te werk gaan' (1677)
ANTEDATERING: mnl. eerst bodelen 'beulen, doden' in: bodelt al, man ende pard [1317-25; iMNW]
Later: beult 'martelt, kwelt' [1622; Venus, 32r] (EWN: 1677)
EWN: ♦ afbeulen ww. 'geheel afmatten' (1784)
ANTEDATERING: een huur-paard, dat men zelfs heeft afgebeuld [1719; Argus 1, 313]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

beul znw., mnl. bödel, bȫdel, buel (= bȫl) m. “gerechtsbode, beul”. = ohd. butil (nhd. buttel), os. budil m. “gerechtsbode”, mnd. bödel, boddel m. “id., beul”, ags. bydel m. “bode, heraut” (maar eng. beadle uit ofr. bedel > fr. bédeau), wgerm. *budila-. Evenals bode bij bieden. — Hiervan afgeleid is mnl. bōdelen (bȫdelen) “mishandelen, doorsteken”, dat nog in Zuid-Nederland bestaat (beulen “wreed te werk gaan met, hard werken”), in de algemeene taal alleen in afbeulen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

afbeulen ‘meedogenloos door zware en langdurige arbeid of overgrote inspanning geheel afmatten’ -> Fries ôfbeule ‘meedogenloos door zware en langdurige arbeid of overgrote inspanning geheel afmatten’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut