Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

adventist - (lid van een religieuze sekte)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

advent zn. ‘de vier weken voor Kerstmis’
Mnl. aduent [1236; CG I, 25].
Ontleend aan Latijn adventus ‘aankomst’, dat in de 5e-6e eeuw de huidige religieuze betekenis kreeg. Van adventus Domini ‘aankomst des Heren’, bij het werkwoord advenīre ‘aankomen’, zie → avontuur.
adventist zn. ‘lid van een religieuze sekte’. Nnl. adventist ‘id.’ [1912; Kramers]. Ontleend aan Amerikaans-Engels Adventist [1843; OED], een verkorting van Second Adventist ‘hij die de wederkomst van Christus (= de tweede Advent) verwacht’; de verkorting werd later toegepast op meer groeperingen bij wie de heilsverwachting een grote plaats in de religieuze beleving inneemt.

EWN: ♦ adventist zn. ‘lid van een religieuze sekte’ (1912)
ANTEDATERING: De sekte der adventisten [1875; Zierikzeesche courant 28/8]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut