Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

adres - (verblijfplaats)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

adres zn. ‘verblijfplaats’
Vnnl. adresse doen ‘hulp verlenen’ [1545; MNHWS], brieuen van adresse aen het hof ‘aan het hof gerichte brieven’ [1574; Kil.], adresse ‘kortste weg’ [1599; Kil.], ‘steun, toevlucht’ [1659; Binnart]; nnl. adres ‘opschrift van een brief’ [1717; Marin].
Ontleend aan Frans adresse, dat behalve ‘verblijfplaats, bestemming’ ook ‘gelegenheid, handigheid’ betekent. Dit gaat terug op Oudfrans adrece ‘richting’ bij het werkwoord adrecier ‘richten, in orde brengen’ [12e eeuw; Rey] < vulgair Latijn addirectiare ‘richten, recht maken’, gevormd uit → ad- en *directiare, bij klassiek Latijn dīrēctus, zie → direct.
Oorspr. was dit woord in het Nederlands vrouwelijk, zoals Duits Adresse, maar onder invloed van naar de vorm gelijkende woorden als congres en proces en het in betekenis verwante woord opschrift is het onzijdig geworden.
adresseren ww. ‘richten tot’. Vnnl. adresseren ‘id.’ [1570; Stall.]. Ontleend aan Frans adresser.

EWN: adres zn. ‘verblijfplaats’ (1545)
ANTEDATERING: adresse 'hulp' [1525; MNHWS]
EWN: ♦ adresseren ww. ‘richten tot’ (1570)
ANTEDATERING: adresseren 'bezorgen (van brieven)' [1541; MNHWS]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

adres [woon- of verblijfplaats] {adresse 1574, vgl. ad(d)resse [hulp] 1525} < frans adresse [vaardigheid, 1656 ook: adres van een brief] (in deze betekenis uit het eng.), van adresser, van à + dresser < middeleeuws latijn directare, directiare [richten tot (ook van brieven)] < latijn directio [het richten], directus [rechtstreeks] (vgl. direct).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

adres znw. o., vroegnnl. < fra. adresse (met verandering van geslacht onder invloed van opschrift, dat ook wel ‘adres’ betekent, zie v. Haeringen, Suppl. 4). De betekenis van ‘officieel schrijven’ komt uit het Engels, waar sedert de restauratie van 1662 een door het parlement aan de koning gezonden stuk address genoemd werd.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

† adres znw. o., nnl. ontlening aan fr. adresse. Ook in andere talen ontleend. Het onz. geslacht wsch. onder invloed van opschrift, dat in de 17e eeuw en later in de bet. ‘adres’ voorkomt, maar wegens te ruime betekenissfeer door het vreemde woord zal zijn vervangen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

adres o., gelijk Hgd. adresse en Eng. address, uit Fr. adresse, verbaalabstr. van adresser = richten tot, van Mlat. addirectiare, met ad van Lat. dirigere (di, dis = van kant, uiteen, - regere: z. rekken).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

adres ‘woon- of verblijfplaats’ (Frans adresse); ‘officieel antwoord’ (Engels address)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

adres ‘woon- of verblijfplaats’ -> Indonesisch adrés ‘woon- of verblijfplaats’; Ambons-Maleis adrès ‘woon- of verblijfplaats’; Jakartaans-Maleis aderès ‘woon- of verblijfplaats’; Madoerees addres, addrīs ‘woon- of verblijfplaats’; Menadonees adres ‘woon- of verblijfplaats’; Papiaments adrès ‘woon- of verblijfplaats’; Sranantongo adres ‘woon- of verblijfplaats’; Surinaams-Javaans èdrès ‘woon- of verblijfplaats’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

adres woon- of verblijfplaats 1574 [Claes] <Frans

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1076. Aan 't goede (of verkeerde) kantoor zijn,

d.w.z. zich tot den juisten (of verkeerden) persoon gewend hebben om iets gedaan te krijgen, 18de eeuw aan de verkeerde deur kloppenNdl. Wdb. III, 2465.. Zie Harrebomée I, 380: Hij is aan het verkeerde kantoor: Hij komt aan een goed kantoor; III, CXXV: Hij is daar aan een goed kantoor; Ndl. Wdb. VII, 1390; Kmz. 376: Ze motte met mijn beginne, dan zijn ze aan 't goeie kantoor! Het Volk, 18 April 1914, p. 5 k. 4: Ik wil maar zeggen, dat de heer W. een malle pedant is en bij mij in alle opzichten aan het verkeerde kantoor; Menschenw. 218: ‘Uitklaiie’.... gilt me 't lieve mensch! .... ‘Nee maan, dan is uwes an 't verkairde ketoor; Schoolblad XLIV, k. 351: Alle bondsmannen weten dus nu vooruit dat zij met klachten den Bond betreffende bij ons niet aan het rechte kantoor zijn; fri. oan 't forkearde kantoar komme, niet terecht zijn, den verkeerde voorhebben; eng. to be in the wrong shop; syn. van aan het goede of verkeerde adres zijn; Mgdh. 142: Nee, hoor, dan ben je bij mijn niet aan 't goeie adres. Vgl. hd. vor die rechte Schmiede gehen.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut