Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

admiraal - (bevelhebber van de vloot)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

admiraal zn. ‘bevelhebber van de vloot’
Mnl. a(m)mirael ‘aanvoerder der heidenen’ [1201-25; CG II, Floyr.], Admirael ter Zee ‘vlootvoogd’ [1492; WNT]; vnnl. admiral [1574; Kil.].
Verkort uit Arabisch amīr-al-baḥr ‘bevelhebber (over) de zee’ bij het werkwoord amara ‘bevelen’, (hierbij ook → emir). Hierin werd de lettergreep al (het lidwoord bij ‘zee’) geïnterpreteerd als Latijns achtervoegsel -alis. De vorm met ad- (zoals ook in het Engels en het Duits) is beïnvloed door Latijn admirāre, Frans admirer ‘bewonderen’. Ook in het Oudfrans werd wel de vorm admiral [1305; Rey] gebruikt (Nieuwfrans amiral). Volgens een andere interpretatie zou het woord zijn afgeleid van de Arabische term amīr-ar-rahl ‘bevelhebber van het transport’, die in Spanje bekend was, maar dat zou *amirar hebben opgeleverd.
In Italië ontwikkelde zich de betekenis ‘vlootvoogd’, die zich in heel Europa verbreidde.
Lit.: Philippa 1991

EWN: admiraal zn. ‘bevelhebber van de vloot’; de betekenis 'vlootvoogd'
ANTEDATERING: ammyrael 'vlootvoogd' [1365-85; MNW-R] (1492)
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

admiraal [opperbevelhebber van oorlogsvloot] {amirael [bevelhebber der heidenen, ook: vlootvoogd] 1201-1225, admirael 1492} < frans amiral, van arabisch ʼamīr al (baḥr) [bevelhebber van de (zee)] (vgl. emir), middelnederlands amirael [emir, Saraceens vorst, legerhoofd], amirael ter see [vlootvoogd], zo ook in het spaans; er trad verwarring op met latijn admirari [bewonderen, laat-lat. bewonderd worden] of admirabilis [bewonderenswaardig].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

admiraal znw. m., ammirael, amirael ‘vorst van Saracenen; bevelhebber, vlootvoogd’ < fra. amiral. De vorm met d is in het fra. ontstaan (ws. onder invloed van lat. admirari ‘bewonderen’, althans van samenstellingen met het voorv. ad-).

Het woord stamt uit het arabisch. Naast het ww. amara ‘bevelen’ staat amīr ‘bevelhebber’ (waaruit het europ. woord emir). Voor de bevelhebber van de transporten tussen N-Afrika en Z-Spanje gebruikte men de naam amīr ar-raḥl = ‘de bevelhebber van het transport’ (Lokotsch Nr. 69).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

admiraal znw. Uit mnl. am(m)irael m. “Saraceensch bevelhebber, bevelhebber in ʼt algemeen, vlootvoogd” ontstaan onder invloed van ofr. admiral of mlat. admiralius, dat zijn d van ʼt ww. admîrâri had ontleend. Ook in ʼt Hd. en De. is de d-vorm admiral de jongere. Mnl. am(m)irael is uit fr. amiral ontleend, dat volgens sommigen door het Spa. van arab. amîr-al-mâ, amîr-al bahr “bevelhebber ter zee” komt, volgens anderen uit arab. amîr “emir” + den lat. uitgang -âlis, -âlius bestaat.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

admiraal m., Mnl. ammerael, uit Ofra. admiral, Nfra. amiral, van Mlat.: admiraldus, admiralius, almiragius, admirabilis, enz., van ’t Ar. amīr (verg. emir), door volksetymologie in verband gebracht met admirari (= admirer), en voorzien van de suff. aldus, alius, enz.; niet van Ar. amīr-al-bahr of amīr-al-mā = bevelhebber der zee of des waters, want in den beginne bet. het woord slechts Sarraceensch legerhoofd.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

admiraal s.nw.
1. Opperbevelhebber van 'n (oorlogs)vloot. 2. Vlagskip waarop die admiraal hom bevind. 3. Admiraalvlinder.
Uit Ndl. admiraal (Mnl. amirael, ammirael).
Ndl. admiraal uit Fr. admiral naas amiral uit Latyn admiralius, admirallus naas amiralius, amirallus uit Arabies amîr, emir 'vors, bevelhebber' uit ww. amara 'beveel'. Beteken aanvanklik, dus in Arabies, slegs 'bevelhebber (van die Ongelowiges)', later 'bevelhebber ter see' (Fr. 1340). Die d in Ndl. admiraal uit Fr. admiral hou verband met Fr. ww. admirer uit Latyn admirari, vgl. admirabilis. Die vorm met d is in die N.Europese tale opgeneem.
D. Admiral, Eng. admiral.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

ambraal: – ambrakel/ambrella/sambraal – , 1. naam van hoofspeler in kinderspel; naam v. d. spel; 2. siekerige persoon, sukkelaar; siekerig (volg uit toestand v. hoofspeler en aard v. spel); 3. pronkerig, spoggerig (hou verb. m. herkoms v. hoofspeler se naam); wsk. tereg (deur Smi OT 17-8) afg. v. eien. v. d. hoofspeler, Ambraal, en dit weer van admiraal (reeds Mnl. am(m)irael), Fr. amiral, wat hoërop verb. hou met Arab. amir-al-bahr en emir (q.v.); vir bet. 3. vgl. ambraalstuk, “pronkstuk” (WAT) en bet. v. juts, “trots” (q.v.); onnodig (deur Frank TB 124) verb. gesoek met Port. amoravel, “that inspires love”.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

admiraal (Frans amiral)

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Admiraal, mnl. amirael, hoogste rang bij het zeewezen; uit het fra. amiral, vroeger ook admiral, mlat. amiralius, adm-ralius e.a. vormen; dit weder uit het arabisch amir (emir, bevelhebber), waarbij de d ingevoegd, waarschijnlijk door de gedachte aan lat. admirari, fra. admirer, zooals de ook voorkomende vorm admirabilis bewijst. Doordat de admiraal de hoogste officier ter zee is (en misschien ook door bijgedachte aan admirer?) gebruikte men schertsend dezen naam ook voor een “haantje de voorste”, een “heer”; ook wel voor vrouwen (Bredero: “Al seggen de luy dat het puyckje en ’t ammeraeltje is van de buurt”, 2, 197), ja zelfs voor voorwerpen. Door verkeerd begrijpen spelde men in dezen zin het woord ook amouraeltje.
Van admiraal werd, in navolging van ’t fra. amirauté, gevormd admiraliteit, ook amiraliteit, eig. het bewind en rechtsgebied over zeezaken, doch later ook in ’t bijzonder voor admiraliteitscollege, een van de vijf colleges, die het beheer over de zeezaken voerden, o. a. wat betreft het rechtsgebied, de monstering en betaling der zeelieden, het heffen en beheeren der convooien en licenten. Bij Duyck, Journ. 3, 346 vindt men het woord in den merkwaardigen vorm Almiraliteyten genoemd : “opstellen van . . . almiraliteyten geboden en verboden.”

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Admiraal komt van ’t Fr. admiral, amiral, en dit werd overgenomen uit ’t Oudspaansch almiraja de la mar, dat op zijn beurt was ontleend aan het Arabisch (van de Mooren in Spanje): amir-al-ma = emir (of beheerscher) der zee.

R. Dozy (1867), Oosterlingen, verklarende lijst der Nederlandschen woorden die uit het Arabisch, Hebreeuwsch, Chaldeeuwsch, Perzisch en Turksch afkomstig zijn, 's-Gravenhage

Admiraal
Algemeen wordt erkend, dat in dit woord het Arab. amîr (ook emîr uitgesproken), bevelhebber, van den wortel amara, bevelen, te zoeken is; maar degenen, die, zooals Mahn (Etymol. Untersuchungen auf dem Gebiete der romanischen Sprachen, p. 7 vg.) en Engelmann (p. 54), het Fransche amiral voor den zuiversten vorm houden, zijn van oordeel, dat amiral eene afknotting is van amîr al-bahr, bevelhebber van de zee, zooals de vlootvoogd door de Arabieren genoemd werd. Deze meening komt mij niet aannemelijk voor. Wel erken ik, dat er meer voorbeelden zijn van zulke sterke afknottingen (zooals o. a. het door Mahn aangevoerde denébola), maar toch meen ik met Diez en de Vries te moeten aannemen, dat al niet het Arab. lidwoord is, maar de Latijnsche terminatie alis of alius. Admiralius is een der menigvuldige vormen, waaronder het woord in het Middeleeuwsche Latijn voorkomt, en hieruit zijn het Ital. ammiraglio, almiraglio, het Prov. amiralh en het Fr. amiral ontstaan. De redenen, die voor deze meening pleiten, zijn deze:
1°. In de Middeleeuwen had het woord gewoonlijk niet de beteekenis van vlootvoogd, maar van bevelhebber te land; eene menigte bewijsplaatsen kan men vinden bij Ducange onder amir, in Raynouard’s Lexique roman, bij de Vries, Middelned. Woord. (I, p. 232), en in ’t algemeen in de woordenboeken der Middeleeuwsche talen. Hieruit blijkt, dat men alleen aan een emier dacht, niet aan een emier ter zee, en dat dus al geene afknotting is van al-bahr.
2°. Als men werkelijk van een vlootvoogd sprak, dan voegde men achter amiral, of hoe het woord in de verschillende talen luidde, nog van de zee; zoo in Spaansche charters van 1254 en van de volgende jaren: almiraje (of almirage) de la mar, in het Memorial histórico español, I, p. 36, 97, 100, 107, 113, 154; almirante de la mar bij Barrantes Maldonado (Mem. hist, esp., IX, p. 36, en in de onderteekening van een charter, p. 205); ammirael van der zee bij Velthem. Derhalve lag het denkbeeld van bevelhebber ter zee niet in het woord opgesloten; om dit uit te drukken was eene nadere bepaling noodig.
3°. De overige vormen van het woord bewijzen ook, dat al slechts een uitgang is, want er blijkt uit, dat men behalve alis of alius nog andere uitgangen achter amir gevoegd heeft; zoo agius, almiragius bij Ducange, het Oud-Sp. almirage of almiraje; ans, ablativus ante, Sp. almirante, oud-Fr. amirant; arius, amirarius bij Ducangc; atus, amiratus bij denzelfden; andus, amirandus enz.
Eindelijk moet nog opgemerkt worden, dat de letter d in ons admiraal te veel is; maar die toevoeging dagteekent reeds uit het Middeleeuwsche Latijn, en men dacht daarbij aan het werkwoord admirari.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

admiraal ‘opperbevelhebber van oorlogsvloot’ -> Deens admiral ‘opperbevelhebber van oorlogsvloot’; Zweeds amiral (ouder: admiral, ameral) ‘opperbevelhebber van oorlogsvloot’; Fins amiraali ‘opperbevelhebber van oorlogsvloot’ ; Pools admirał ‘opperbevelhebber van oorlogsvloot’ (uit Nederlands of Duits); Russisch admirál ‘hoogste legerrang’; Oekraïens admirál ‘hoogste legerrang’ ; Azeri admiral ‘hoogste rang bij de marine’ ; Litouws admirolas ‘opperbevelhebber van oorlogsvloot’; Ewe amrálò ‘opperbevelhebber van oorlogsvloot’; Gã amralo ‘opperbevelhebber van oorlogsvloot’; Twi amrádò ‘opperbevelhebber van oorlogsvloot’; Indonesisch admiral ‘opperbevelhebber van oorlogsvloot’; Boeginees ambarâla ‘opperbevelhebber van oorlogsvloot’; Javaans amral ‘opperbevelhebber van oorlogsvloot’; Makassaars ambarâla, amarâla ‘opperbevelhebber van oorlogsvloot’; Soendanees amiral ‘opperbevelhebber van oorlogsvloot’; Creools-Portugees (Ceylon) ádmiral ‘opperbevelhebber van oorlogsvloot’; Singalees admiral, admirāl ‘opperbevelhebber van oorlogsvloot’; Papiaments atmiral ‘opperbevelhebber van oorlogsvloot’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

admiraal opperbevelhebber van oorlogsvloot 1492 [WNT Suppl] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal